Ik wil toch op Sylvie van der Vaart lijken

Ik stak mijn hoofd met gemengde gevoelens om de hoek van zijn kantoor.
Hopend hem te zien, behoefte hebbend aan zijn gezelschap, maar ook met angst.
“Weet hij het al, djiez, moet ik het hele verhaal weer vertellen, ik ga janken…”
Ik had mijn hoofd op 2 februari ook al om de hoek van zijn kantoor gestoken, toen met een brede grijns en de woorden die ik me had voorgenomen ” jij zou het concert inderdaad V.R.E.S.E.L.IJ.K. hebben gevonden! Veel te veel gepiel voor jouw doen! Man, het was B.R.I.L.J.A.N.T.!”
Maar toen was hij er niet en sindsdien liepen we elkaar alleen maar op grandiose wijze mis.

Hij zag mijn hoofd vandaag en grijnsde een grijns.
Hij pakte een stoel en schoof die tactisch operationeel ten opzichte die van hem. Standje interrogation.
“Ik heb gisteren iets gehoord waarvan ik dacht dat ik het niet telefonisch ging doen.”
Onder de noemer “ijs gebroken” nam ik plaats in de stoel.

***drie kwartier later***

En toen eindigde ik mijn verhaal met mijn standaard stoere “als Sylvie van der Vaart het kan, kan ik het ook!”
In tegenstelling tot de rest, barstte hij niet in lachen uit.
Ja weet je, zei hij, alsof het een verdienste is, dat ze overleefde. Net als Armstrong. Het heeft meer te maken met tijdstip van ontdekken en de mediche wetenschap en techniek en zo.
Hij ging door: Alsof degenen die het niet hebben gered niet net zo hard wilden als Lance en Sylvie: het is niet een persoonlijke verdienste! Sterker nog….

Ik was het helemaal met hem eens, maar het was niet wat ik bedoelde en we hadden het over twee verschillende dingen.
Ik had het alleen nog nooit zo goed verwoord, dat wat ik echt bedoelde.
Kak, hij is bijna nog analytischer dan ik.
Hoor de competitie lui, hoor de competitie. 

***een kwartier later***

Overleven is niet de verdienste van Sylvie en Lance.
Maar wat wel hun verdienste is, wat je wèl op hun conto kan schrijven, is dat ze geen knauw meedragen.
Dat ze niet met een knak aan de andere kant van de ziekte tevoorschijn zijn gekomen en met die knak doorleven.

Ik ken mensen die na de k.anker zijn blijven hangen in de oneerlijkheid van het geheel.
Ik ken vrouwen die na borstk.anker nooit meer intiem zijn geweest met hun partner.
Ik ken mensen die emotioneel geknakt zijn na de k.anker.
Soms gevangen door zelfmedelijden.

Overleven hangt af van vele factoren, dat is niet je verdienste.
Maar ik wil lijken op Sylvie van der Vaart.
Holy kak, dat ik dit ooit zou opschrijven.
Ik wil hier aan de andere kant uitkomen zonder knauw, zonder knak.
Dat gaat mijn verdienste zijn.

Lopen om te overleven

“…en de bestralingen beginnen een week of 5 na de operatie.”
Ik keek de Bevelvoerder peinzend aan en de arts zag me rekenen.

“Ja, na Utrecht dus.” Ze snapte het direct.
“Als je een beetje goed uit de operatie komt, is het niet uitgesloten dat je Utrecht alsnog kan lopen.
Je bent in topconditie: hoe beter je conditie, hoe sneller je herstel. Blijf lopen, tot de operatie! En Utrecht behoort nog steeds tot de mogelijkheden.”

“Nou…..”, sprak de mammacare verpleegkundige vol twijfels…
“Ze kan hem nu al! Het kan nog steeds.”, onderbrak de arts haar ruw.
Mijn arts is zelf een loopster met een marathon op haar naam. Ze snapt daarom waarom het zo belangrijk voor me is.
En tegen mij zei ze streng: “Blijf trainen, blijf lopen, tot de dag van de operatie!”

Hoe beter mijn conditie, hoe sneller mijn herstel.  Dat is waar.
Sporten werkt mentaal goed. Ook dat is waar.
Utrecht geeft mij een doel in dit hele proces. En dat is misschien de grootste waarheid.

Meende ze echt dat Utrecht nog aan de horizon ligt? Wellicht voor een deel. Ze zal me echter voor een deel ook mentaal hebben willen beïnvloeden.
En dat is gelukt.

Ik loop om mentaal te overleven.
Hardlopen houdt me op de been, houdt mijn hoofd steady.
Hardlopen houdt mijn lijf in conditie, houdt me fit.
Hardlopen geeft mij een doel.
Na de operatie ga ik herstellen om Utrecht te kunnen lopen op 9 april.
Dan kan ik de bestralingen in, wetende dat ik een marathon op mijn naam heb.
Als ik een marathon kan lopen, kan ik de bestralingen ook aan namelijk.

Ik denk dat mijn arts dat heel goed begrepen heeft.

The road to Utrecht om te overleven.

Niet meer Zwaarden van Damocles

Ik ben er nu zeker weten over uit.

Het ergste wat mij blijkbaar kan overkomen, is bang zijn voor iets. Het niet weten. Beren op de weg. Onzekerheid.
Doe mij in godsnaam een vaste baan, in gemeenschap van goederen, de hypotheek voor 30 jaar vast, een opel en een hondje.
Oh wacht, ik beschrijf mijn leven.

Dinsdag ging ik op de jaarlijkse controle.
En toen klopte er ineens iets niet.
Maar dat iets was zó vaag en het niet kloppen kon ook nog zó alle kanten op, dat ik er niets mee kon.
Ik was niks meer waard.
De angst regeerde.
Voor de vierde keer de alarmbellen op donkerpaars.
(Ja-haa lui, ik weet dat het geen paars moet zijn in correct Nederlandsch.)

Donderdag wist ik nog niet zo gek veel meer, maar ik wist wel dat het sowieso niet “allemaal in orde” was.
Er zit iets nieuws verstopt in een woud der goedaardigen.
Vorig jaar was hij er nog niet, nu wel.
En de nieuweling kwam met eigen eigenaardigheden.
De nieuwe uitslag is dat het weefsel a-typisch is, maar definitief uitsluitsel over het k-woord konden ze nog niet geven.
Voor een diagnose en een behandelplan hebben ze wel dat bewijs nodig.
Een ander, pijnlijker monster werd genomen.

De blikken en de woorden en de context sprak echter boekdelen.
Het werd niet uitgesproken, maar tussen de regels werd veul gezegd.
Maandag komt de uitslag.
Of niet, als ook dit monster weer geen uitsluitsel geeft.
Maar ergens weet ik voldoende: wat het ook is, het is sowieso niet “okay en niks aan de hand en we zien u volgend jaar”.

Al 14 jaar lang is die plek een bron van ongerustheid.
En niemand die wilde luisteren: sloop de boel maar leeg, ik kan niet tegen de onzekerheid!
14 jaar lang werd me gezegd dat het beter was om te leven met een zwaard van Damocles dan met zekerheid.
Ik ben de omgekeerde mening toegedaan.
De chirurg zei donderdag: als we geen zekerheid hebben maandag, lassen we een pauze in en volgt na een poos een scan.
Ik zei meer resoluut dan emotioneel: ik dacht het niet, in dat geval snij je het er maar uit en bekijk je op je gemakje achteraf wat het was.
Ze zag dat ik het meende. “Dat is ook een optie”, zei ze.
Toen wist ik echt voldoende.

Ik heb iets ontdekt.
Ik ben de rust zelve.
Ik ben heus enorm verdrietig, vergis je niet.
En ik zie op tegen de molen die ik inga, maar ik ben niet in paniek.
Ik ben niet overstuur.
Maandag volgt een soort van uitslag en het boeit me niet.Ik kan hier iets mee.
Maandag gaat de molen draaien.
En ik ga head first die molen in.

Ja, ik ben bang dat ik mijn Daltons niet zie opgroeien. (als dat al aan de orde zou zijn)
Maar met handelen en doen kan ik meer dan met afwachten en zwaarden van Damocles.

 

De road to Utrecht gaat via Schoorl

Ja, vast niet volgens de routeplanner als je start in Repeldorp, maar deze road to Utrecht gaat wel via Schoorl.
The road to Utrecht duurt vandaag op de kop af nog 8 weken. Ja, vast niet volgens de routeplanner als je start in Repeldorp, maar deze road to Utrecht duurt vandaag wel op de kop af…nog 8 weken.

De Groet uit Schoorl run paste als duurloop perfect in mijn schema op weg naar Utrecht. Ik had de afstand al een paar keer gelopen en wist dat ik die 30 kilometer op zich prima aankan. Maar toen het plan ontstond om met de loopgroep van Marcel te gaan lopen en ze me vertelden dat ze gingen voor 6 minuten de kilometer, begon ik te twijfelen. Dat tempo had ik op die afstand nog nooit gelopen. 6 Minuten de kilometer is 10 kilometer per uur en dan kom je op 3 uur uit. Dat leek me rap.

Een beetje nerveus maakte ik als vreemde eend in de bijt kennis met de loopgroep. Stuk voor stuk leuke lui. En ik ontmoette twitteraars die ik niet kende en kreeg zelfs een “oh ben jij Repeltje?” van iemand. Mijn nervositeit smolt ondanks de kou van die dag in een wereld vol sneeuw en ijs. De andere kriebels groeiden ondertussen onder de lopers. Wat trekken we aan? Hoeveel laagjes? Muts ja of nee? We gingen van start en we liepen met 5 man het tempo van 10 kilometer per uur. Zelfs een seconde of 3 eronder. Dat was prima vol te houden, zelfs met af en toe een babbeltje onderling. We stopten nog uitgebreid bij een drankpost. Wat een mooie loop in een schitterende omgeving in de sneeuw.

Rond 10 kilometer werd voorzichtig de verboden zin “onder de 3 uur” uitgesproken. We floten onszelf een beetje terug, maar Marcel en ik wisselden een blik. Yep, het doel was er, dat was duidelijk. Ik weet niet meer precies wanneer, maar op een moment ergens rond de 20 kilometer gaf een aantal aan dat ze het tempo niet meer bolwerkten: Marcel en ik mochten door. We versnelden een beetje en we liepen perfect samen op in ik denk zo 5.45′ de kilometer. Ik ging er blind van uit dat we in dat tempo samen over de finish zouden komen, maar op 25 kilometer schoot de kramp in zijn kuit. We hielden in: hij kon niet harder dan dribbelen. Na een paar honderd meter gaf hij aan dat ik door mocht. Of vroeg ik het? Met enorm gemengde gevoelens, slingerend tussen “samen uit samen thuis” en eagerness, ongerustheid en ambitie, schuldgevoel en drang, ging ik toch voor de tijd.  Die laatste 5 kilometer merkte ik hoeveel ik over had. Ik kon enorm versnellen. Ik heb die laatste 5 kilometer rond 5.20′ gelopen.

Mijn Garmin gaf 30 kilometer aan nog voor ik de finish zag. Ik had niet gerekend op die laatste 260 meter en had mentaal moeite die te halen in het tempo. Heel gek hoe dat werkt in je kop! Terugkijkend op mijn Garmin liep ik de 30 rond net onder de 2 uur 55 min, de finish op 30.26 km deed ik (in overall 5.49′ de kilometer): 2 uur, 56 minuten en 9 seconden. Na de finish belde ik direct de Bevelvoerder. Ik was zo euforisch! Eerst delen met hem. Ik weet niet of er coherente zinnen uit me kwamen, maar ik geloof dat hij de boodschap wel kreeg. En toen was het wachten op Marcel. Ik had nadat de kramp erin schoot een EHBO post gezien en vroeg me af of hij nog liep, of dat hij daar zat. Gelukkig zag ik hem net over de 3 uur verschijnen. Met een lach op zijn gezicht. Ja, hij baalde van de kramp, maar hij is een sportman.

Onderweg naar zijn huis begon het te sneeuwen en werd het gevaarlijk en glad op de weg. Vroeger dan me lief was ging ik daarom naar huis met mijn Smartje met achterwielaandrijving. Ik was het liefst nog even koffie blijven drinken bij hem en zijn vrouw. ’s Avonds thuis stuurde ik hem nog een whatsappje over mijn schuldgevoel. En ik slinger tot op dit moment nog tussen dat schuldgevoel dat ik niet bij hem ben gebleven en een geweldige trots over mijn prestatie.

De road to Utrecht is voorlopig zonder opstakels. Een goed wegdek. Geen omleidingen. En ik zie ook geen beren op de road to Utrecht. Het zal zwaar worden, maar het vertrouwen in het idee dat ik het kan groeit. Ja. Ik ben een werkende moeder met drie kleine kinderen and you can bet your ass dat ik de marathon kan lopen. Dat dus.

Image Hosted by ImageShack.us

Image Hosted by ImageShack.us

Te mooi om te wachten op Woordeloze Woensdag

Ik wilde me weer eens in allerlei bochten wringen om vals te spelen op Woordeloze Woensdag, maar mijn ongeduld won het van mijn snode plannen.
Ik heb namelijk een foto, en ik heb geen geduld, en teveel woorden. En da’s een slechte combi voor woordeloze woensdag op dinsdagavond, kan ik u verklappen.

Draakje.
Mijn ongeleide projectiel.
Ik kan en durf alles, zo claimt hij zelf. En wij geloven hem.
Fletcher is bijna even hoog als hij is, maar hij grijpt haar doodleuk in de houtgreep als ze hapt of blaft, en hij werkt haar tegen de grond.
Fletcher geeft zich over en laat haar buik zien.
Dát is braaf hondje! Concludeeert hij triomfantelijk met zijn handen in zijn zij, imposant over haar heen staand.
Met 4 jaar de baas zijn over een happende, springende, doldrieste, überenthousiaste Drentsche Patrijs pup van 6 maanden…dan moet je van goede huize komen.

Maar oh, wat een gevoelig en breekbaar mannetje zit er onder die dikke korst van fearlessness.
Hij heeft verkering met Buurmeisje, want die vindt hij zo lief.
Als hij iets goed doet, vraagt hij of ik blij ben.
Hij deelt kusjes uit als troost en wil niets liever dan op schoot zitten knuffelen.

Als hij tv kijkt, zie je zo’n beetje alles terug in dat smoelwerkje.
Ik schaam me niet om toe te voegen dat ik tranen in mijn ogen kan krijgen als ik hem zo zie zitten.
Dat dus. Dit kreeg ik niet valsgespeeld op Woordeloze Woensdag op dinsdagavond.

Image Hosted by ImageShack.us

Forensdiversiteiten

Ik woonwerkforens op veel manieren.
Ik loop, ik fiets, ik brommert, ik ga met de auto, ik ga met de bus.
Een en ander afhankelijk van mijn agenda, zijn agenda, de hoeveelheid zin en mijn loopschema.

Ik kan kiezen uit een route of 5.
Hoe dan ook, er zijn routines.
Lopend, neem ik meestal die ene route, fietsend meestal altijd die andere.
Ik ben wellicht nog meer dan de meesten bij uitstek een gewoontedier.
Als ik loop, weet ik bijvoorbeeld op welke kilometer ik welk refrein kan verwachten op de iPod.
Dat vind ik fijn.

Maar ik wil het nu hebben over andere routines.
Routines die ik zie, en de rest niet.

Zo is daar Mijn Boertje.
Hij zwaait naar mij als ik fiets.
En ik zwaai terug.
Al 5 jaar lang.
Maar hij zwaait alleen als ik fiets.
Hollend, of brommerend ziet hij mij niet.
Hij weet niet dat ik het ben.
Dat hij 20 jaar geleden dagelijks zwaaide naar mijn vader die daar dagelijks liep, weet hij niet.
Mijn vader en ik wel.
Mijn vader kent mijn boertje.

En dan is daar die ligfietser.
Al 5 jaar lang ziet hij mij fietsen.
En ik zie hem, al 5 jaar lang.

Hij ziet me als ik fiets.
Dan kijkt hij me aan.
Hij glimlacht niet, hij vertrekt geen spier.
Al 5 jaar lang.

En g*dver, ik maak een knikje van herkenning, elke keer. Hij gaat mij niet  mijn manieren laten verliezen!
Al 5 jaar lang niet.

Maar ik zie hem ook keer op keer als ik loop naar huis. Hij op die ligfiets, ik hardlopend.
Hij heeft nog nooit een blik richting die hardloper geworpen.
Hij  weet niet dat ik het ben, die fietser.
Hij weet ook niet dat ik het ben, die brommeraar,

Ben ik nou zo gek dat ik alle huizen ken onderweg, en alle tegemoedkomers?
Ik zie ze wel…

Een bijzondere dag eindigt met: Auto Ongeluk Managen Repel Style

Aan het eind van een bijzondere dag scheur tuf ik midden in de nacht in de Smart op weg naar huis.
Ik denk na over de dag en de emoties en alles flitst door mijn hoofd.
Kwart voor 1 ‘s nachts.

Ik zit stiekem nog een beetje op mijn iPhone te spelen met iMessage.
Maar dan komen de werkzaamheden en de wegversmallingen.
Ik kwak mijn foon weg en laat gaspedaal los.
Twee versmalde rijbanen en ik rijd zonder bril.
Veilig thuis, Repel, veilig thuis.

Allerlei lussen in de weg.
Ik zie het dan ineens voor mij gebeuren, soort van in slow motion, maar ook meteen wetende wat gaat gebeuren….
De auto voor mij schaaft de rechter bumper,
knalt naar de linker bumper,
ik laat het gas los.
Als een bal in een flipperkast kaatst hij weer naar rechts en naar links.
Hij kantelt op twee wielen, “die gaat om” denk ik, en ik ga vol in de ankers.
Maar de auto valt niet om richting mij, maar knalt 90 graden rechtsaf het talut op.
Mat een vaartje van 100, 120?

Ik stop. Op een afstand van 50 meter, denk ik.
Ik bel 112, vertel waar ben, wat er is gebeurd, zet alarmlichten aan.
Stap uit.
Zet auto op slot (!)

En ik hoop dat het gezicht dat ik ga zien er niet uitziet als pizza.
Ik ben blij dat ik iemand aan de lijn heb terwijl ik naar die auto loop.

Ik loop naar het wrak en zie een knul in een shirt “stommelem” om zijn auto heen.
Ik ben direct streng: “Waar is je jas! Het is -15! NU jas aan, en in je auto, zitten, ze komen eraan. Kijk me aan: hoe gaat het met je?”

De jongen doet verstrooid zijn verhaal, ik heb 112 nog aan de lijn.
Ik mag ophangen en voor hem zorgen en ze komen er aan.

Na 10 minuten chillen is de politie er, maar dan bedoel ik ook oprecht CHILLEN bij gevoelstemperatuur -50!
De een wil mijn legitimatiebewijs, de ander lult met het gassie.
Die begint over wegtakelen en zo.

Ik onderbreek ze allebei: Lui, ik zie geen airbag….hij reed snelwegsnelheid. Hij heeft het stuur in zijn romp, of zijn riem. Bel de ambulance! We hebben het over hoog energetisch letsel.
Ik kan ergens niet geloven dat ik dit moet regisseren.

De een regelt de ambulance, de ander vertelt me hoe ik moet invoegen.
Eerst snelheid maken en dan pas de snelweg op.
Ik kan ergens niet geloven dat dit het advies is dat ik krijg.
Neem een lekkere borrel als je thuiskomt, daar had ik meer aan gehad.
Ik weet hoe ik in moet voegen. Ook als ik stijf sta van de adrenaline.

Zondag later in de ochtend: lopersvolk

 

***Vervolg op mijn vorige logje***

Zondagochtend. Een uur of elf.
De Daltons zijn het gamen, het hondje is al een keer of vier uitgelaten.
Er draaien wassen, ik herstel kleding en ben enorm met mijzelf in mijn nopjes.
Oh ik Martha Stewart ik!
Nee, alle gekheid op een stokje; het geluksgevoel dat ik probeerde te vatten in mijn vorige logje -ondanks het onzalige tijdstip- is om me heen blijven hangen.
Ik vind het oprecht heerlijk dat Wijzemans zo blij is dat hij zijn nieuwe jas weer aankan waar Fletcher een winkelhaak in had gehapt.

Mijn werkmobiel gaat.
Een baas aan de lijn. Niet mijn baas, maar wel een baas.
Maar hij is niet alleen een baas…
…hij is ook die ene collega van het romantische hardlopen (<– dit is een linkje)

Hij: Hey Repel, met I! Stoor ik?
Ik: Hey I! Nee hoor, je stoort nul. Je klinkt alsof je in de auto zit?
Hij: Ja! Ik ben op weg naar Uithoorn naar het vierde loopje van het circuit en ik vroeg me af of je samen wilde lopen!
Ik: Och, wat had ik dat  graag gewild! Ik ben uiteraard ingeschreven maar de Bevelvoerder heeft dienst vandaag en kon geen vrij krijgen…..ik kan niet!
Hij: Wat jammer!

We babbelen nog een kwartier verder.
Ik hang in de keuken over mijn aanrecht en kijk de kamer in terwijl ik keuvel aan de telefoon.
We babbelen, die baas en ik.
Over de Den Helder – Maastricht Estafette (we zaten vorig jaar in hetzelfde team, man, wat schept dat een band!).
Over de training voor de marathon van Utrecht.
En over hardlopen in general.

Hij is in het gesprek geen baas en ik ben geen werkvloer.
We hebben het over de romantiek van het hardlopen.

We hangen op en ik hang glimlachend met de telefoon in mijn hand na-mijmerend over mijn aanrecht.
Wat leuk dat hij de moeite nam om me te bellen.
Ik ben dan wellicht wel die idioot met al die gadgets, en hij is die idioot van het ruiterpad, maar we zijn beiden lopers.

Goed volk, hardlopers. Goed volk.

Ik heb energie gekregen van het gesprek.
Ik roep de Daltons en de hond en besluit dat we voor een enorme wandeling gaan naar het park.
Iedereen gaat even serieus uitwaaien.