En ineens is het dan 9 april geworden. Ik won mijn startbewijs voor de marathon van Utrecht in december bij Ronald. Toen wilde ik deze marathon lopen om (voor mezelf en de goegemeente) te bewijzen dat ik, een druk werkende moeder met drie kleine kinderen “echt wel” een marathon kan lopen. En dan ineens is het 9 april geworden en loop ik hem met een groter doel.
In de hal van de jaarbeurs ontmoet ik dankzij het berichtje van Frank hardlopend twitterland, de rest van mijn timeline bombardeert me twitterend plat. Hun steun is overweldigend. Ik ben wel een beetje nerveus, maar ik kan ergens ook niet geloven dat ik hem niet ga uitlopen. De exacte statistieken wisselen een beetje, maar iedereen die er een heeft gelopen is het erover eens: een deel is vorm en training, een deel is zuiver mentaal. Wilskracht. Ik neem me voor dat ik, op momenten dat ik het moeilijk ga hebben, zal denken aan de sms die ik de avond van tevoren kreeg: Heel veel succes morgen! Je gaat jezelf verslaan. Ik zal aan je denken. Groet. J de B. Mijn arts. De arts die me het slechte nieuws moest geven en die me bleef motiveren te blijven lopen.
Al in de eerste 2 kilometer sluit ik me aan bij een groepje dat het tempo loopt dat ik hoop vol te houden: 6 minuten de kilometer. Een groepje van 3 dat bij elkaar hoort en nog 2 “losse” anderen. En dan op 3 kilometer raakt een veter los. Dat is me nog nooit gebeurd. Ik vloek inwendig…..ga ik hem vastmaken ja of nee. Ik wil mijn clubje niet kwijtraken. Maar los laten is ook geen optie: ik moet nog 39 kilometer! Ik strik hem snel en maak even tempo om weer bij mijn clubje te komen. Ik laat mezelf tot rust komen: Repel, je gaat borstkanker overleven, maak je niet druk om een veter!
Op 9 kilometer zie ik ineens een bekend hoofd. Marek uit mijn timeline. Hij kwam voor zijn broer, maar hij stond daar ook voor mij. Support langs de kant geeft vleugels.

Rond 10, 11 kilometer komt er een fietser naast me. Hij blijft eventjes naast me fetsen. Hoe gaat ‘tie? John. Hij zit bij de organisatie en ik zag hem voor het eerst bij de 20 van Alphen. Support langs de kant geeft vleugels.
We draaien rond 14 kilometer Het Lint op en ik zie uit naar het moment dat ik Nesrine zal zien. Ik weet niet waar ze zal staan. Ik loop inmiddels steady naast Walter; een van de losse lopers van het clubje. Ik ken de beste man niet, maar er staat Walter op zijn startnummer. Ik ben zo gefocussed op het zoeken naar een hoofd met lang donker haar dat ik stom verbaasd ben als ik een hoogblonde dame zie met een paraplu en een heel bekend gezicht die uitbundig naar me zwaait. Yvette! Mijn nicht! Wat doe jij hier? Ik woon hier gekkie! Op haar hakken loopt ze een stukkie mee. Ik lach. Support langs de kant geeft vleugels.
Tussen 20 en 21 kilometer zie ik Nesrine. Ook zij loopt een stukkie met me mee en ze maakt foto’s. Ik verspil vast veel energie met lachen en praten, maar ik geniet. Nesrine zegt: nog eventjes, en dan ben je een marathonner! Support langs de kant geeft vleugels.

Op 22 kilometer staat Marek er weer.

Op 30 kilometer kijken Walter en ik elkaar aan. Gaat goed he? Die man, die met die hamer, die staat hier toch ergens? We lachen. Ik weet wel dat ik me bij de 30 van Schoorl fitter voelde dan nu. Die operatie heeft toch wel wat gedaan: de lichamelijke impact is relatief klein, maar dat is niet hetzelfde als twee zwaluwstaartjes. En dan op 33 kilometer gebeuren er 2 dingen: ik zie Yvonn, Yvonn die speciaal naar Alphen kwam en nu ook speciaal naar Utrecht. Dat, en Walter ontdekt dat hij over heeft en versnelt. Ik heb niet over. Ik ga steady door. Ik heb Walter nooit meer teruggezien. Maar Yvonn was er. Support langs de kant geeft vleugels.
Op 35 kilometer komt Sven naast me lopen. De externe relatie waar ik sinds kort een “loopband” mee heb. Die zo meeleeft. Die speciaal voor mij is gekomen. Hij stopt 2 gelletjes (mijn merk, mijn smaak) en een powerbar in mijn handen. Niet praten, zegt hij, spaar je energie. Hij wilde op 32 kilometer gaan staan, maar koos voor 35 omdat het vanaf daar zwaar wordt. Je loopt Utrecht weer in, zegt hij, het wordt weer drukker. Succes! Support langs de kant geeft vleugels.
En dan komt 38 kilometer. Mijn benen vinden het nu wel welletjes. Ik moet erg mijn best doen om het vol te houden. Ik denk aan de sms van mijn arts. En dan daar, daar bij die Dom staan Ellen en Marco. Helemaal uit Zwitserland. Marco zet me op de plaat nog voordat ik ze zie.

En dan zie ik Ellen. Support langs de kant geeft vleugels.

De laatste 3 kilometers zijn loodzwaar. sms van J, je gaat jezelf verslaan. Mijn benen hebben er zo’n mening over! Wat een takke-end is dat zeg, die marathon. En dan zie ik de Bevelvoerder. What a sight for sore eyes! Support langs de kant geeft vleugels….maar de Bevelvoerder draagt me.

Bij de finish wordt ik overspoeld door mijn emoties. Ik krijg mijn medaille en ik zie Wendelien en haar lachende gezicht. Ik jank en ik lach naar haar. En dan kijk ik weer in de ogen van de Bevelvoerder. En dat moment legt Marco op de plaat. Vlak voordat ik nog harder ging huilen. Dit is hoe je eruit ziet als je je eerste marathon hebt afgelegd die je moest lopen omdat het je mentale baken was in je strijd tegen borstkanker.

Ik kus Ellen, Wendelien en ik raken elkaar door de tralies aan. Op weg naar de hal zie ik John weer, en Fabiola. En weer moet ik huilen als ze me een knuffel geeft. De Bevelvoerder helpt me andere schoenen aan te trekken: ik kan niet meer bukken of mijn benen optrekken. Hij tovert klein flesje wijn tevoorschijn. Ik schiet in de lach. Just what the dokter ordered.
Ik ben een hardwerkende moeder met drie kleine kinderen.
Ik ben niet lid van een atletiekvereniging.
Ik ben een maand geleden geopereerd.
Ik sta een dag voor de bestralingen.
YOU CAN BET YOUR GODDAMN’ ASS I CAN RUN A MARATHON!
4 uur, 14 minuten, 37 seconden