Het moment dat de auto me raakte gingen er heel veel gedachten tegelijk door me heen. Ik maakte alles heel bewust mee, tot op de milliseconde.
Een ongeluk? Dit is een auto.
Een zebra, dit is een zebra!
Nee, de marathon, 14 april!
Kom ik eronder? Ga ik leven?
Bevelvoerder, ik moet de Bevelvoerder bellen!
Toen de klap op het asfalt en de pijn en de instantane wetenschap. Ik keek om en zag mijn been in de wielkap. “Wat moet ik doen, wat moet ik doen?” De chauffeuse gilde in paniek. Ik gilde terug dat ze achteruit moest. Toen kon ik mijn been uit de wielkap halen en die als een harmonica op het asfalt leggen. Toen gilde ik het uit van de pijn. Hoe het been daarvoor in die wielkap zat was zo niet verenigbaar met de anatomie dat ik geen pijn ervoer bij dat buitenaardse beeld. Maar toen. Mijn been, mijn been…MIJN BEEN! Kermend, creperend. Ik gilde met mijn lippen tegen het asfalt. Waarom val ik niet flauw, deze pijn kan niet. Kan ik niet. Is onmogelijk.
Ik besloot te kalmeren en helder na te denken. Ik zette mijn loophorloge uit en keek of mijn iPod het nog deed. Ik deed mijn heuptasje open en belde de Bevelvoerder. “Ik ben aangereden…” En ik wilde aanvullen met “en ben wat later thuis”, maar voor ik die kans kreeg pakte iemand mijn telefoon af. “Uw vrouw is aangereden en de ambulance is onderweg.” Ik werd boos: geef mijn telefoon terug, mijn been, mijn been! De vrouw deed streng en ik moest kalmeren. Het was als olie op het vuur gooien. Mijn been, wat is er over. Mijn enkel, mijn knie? Wat is er nog meer kapot behalve de harmonica die ooit mijn onderbeen was? Dit wordt opereren, maar hoe erg? Kan ik ooit nog lopen, wandelen überhaupt? De Bevelvoerder arriveerde toen ik al op de plank geïmmobiliseerd in een nekbrace lag. Ik peilde zijn blik toen hij naar mijn been keek. Zijn blik verried niks.
Een week later lig ik nog hier. In het ziekenhuis. Als we even niet nadenken over hoe erg het had kunnen zijn (dood, coma) is het zo erg als ik dacht. En erger. Een onmogelijke breukencombinatie met onmogelijke pijn. Een operatie die langer duurde dan verwacht en een opname die langer duurt dan verwacht. Open botbreuken. Open wonden. Pijn. Pennen, krammen, zwellingen, morfine. Complicaties en een heel lange weg. En afschuwelijke pijn. De beelden in mijn hoofd van het ongeluk. De dromen. Het wakker liggen. En de pijn. De angst voor de toekomst. De wondverzorging, de komende weken gehandicapt thuis.
Mijn been. Hardlopen. Een jaar uit de roulatie. Op z’n minst. En nu is er iets heel geks. Ik voel me niet genaaid en ik voel niet alsof er iets is afgepakt. Mijn been is er zo erg aan toe dat ik alleen maar gedreven ben om te herstellen. Daar waar ik vorig jaar gedreven was om de marathon te lopen om met kanker te kunnen dealen, ben ik nu alleen maar gedreven om te herstellen. Uit de pijn te komen. Dan weer kunnen wandelen, dan weer kunnen fietsen en dan weer kunnen lopen.
En plotseling blijkt de wereld voor me open te liggen. Ik kan aantoonbaar hardlopen en als ik ga opbouwen vanaf 0 kan ik alles wat ik wil. Ik kan een aantoonbare snelle tien kilometer (49 minuten) en ik kan een marathon lopen (een maand na borstkanker mijn eerste in 4uur14). Ik heb nu geen grenzen en ik heb geen beperkingen. Alle zelfopgelegde barrières en richtingen zijn weg. Ik mag opnieuw beginnen met de wetenschap dat ik alles kan wat ik kies tegen de tijd dat ik weer alles mag kiezen wat ik wil. Ik heb tegen die tijd een pit in handen, ik mag troef maken en ik mag nog uitkomen ook.
Ik probeerde Wijzemans uit te leggen dat hij niet bang hoeft te zijn. Mama ligt dan wel weer aan draadjes en naalden liggen en aan toeters en bellen, maar het probleem is alleen maar mechanisch. Heus. Mama kan gewoon even niet meer hardlopen. Hij keek me aan met glinsterende oogjes. Hij vroeg me letterlijk: “je gaat dus niet meer uren weg in het weekend?” Mijn antwoord toverde zijn mooie Wijzemans’ lach op zijn smoelwerk. Hij heeft mama terug in de weekenden.
Nu de kinderen nog klein zijn, kan ik me bijvoorbeeld gaan toeleggen op de tien kilometer binnen 45 minuten. Of de vijf rond de 20 minuten. Tegen de tijd dat Wijzemans 15 is gaat hij me vragen of ik in Godsnaam een paar uur wil gaan lopen in het weekend. Het liefst nog langer. Dan wil hij chillen met zijn vriendin. Dan ga ik voor de marathon in 3uur40. Tegen die tijd heb ik nog jaren marathonleeftijd voor de boeg. Of niet. Wie weet ga ik toch voor Rotterdam 2014 en traint Wijzemans op de fiets met me mee.
Ik heb niks te bewijzen. Tegen de tijd dat ik weer mag, kan ik alles kiezen wat ik wil. Want dat ik het kan weet ik al. Opbouwen vanaf nul is zelfs iets om naar uit te kijken.
Ik ga herstellen. Dat is het hogere doel. Lopen komt daarna. Want dat ik weer ga lopen staat buiten kijf. Het herstellen wordt de uitdaging.