Mijmeren Repel Style

Gek werden we ervan, net zoals alle jonge ouders.
Kinderen die, zeg, half zes in de ochtend je slaapkamer inkomen: “Mag ik bij jullie liggen”? En dan heb je er drie en is je bed elke ochtend overvol en ben jezelf veel te moe elke dag en voor je het weet roep je nee als ze het vragen.

Dat was jaren en jaren geleden. De jongste is inmiddels ruim 10 en die tijden zijn lang vervlogen. De oudste van zowat 16 komt uiteraard al heel lang niet meer, maar die van 12 en 10 eigenlijk ook al heel lang niet meer, als ik er over nadenk.

En ik was het vergeten. Ik was vergeten hoe fijn het is om je kind ’s ochtends in je bed te hebben. De geur van slaap om ze heen. Met ijskoude voetjes (van toen nog maatje 23) tegen je buik en een tot op de draad versleten half afgelebberde knuffel in je gezicht. Ik miste het niet eens omdat ik het was vergeten. Het gevoel van moeder zijn van een klein kind zit niet meer in mijn systeem.

Vanmorgen riep mijn middelste om half zeven dat hij ging douchen. “Man, het is half zeven!” Hij sputterde tegen over te weinig tijd hebben en dat hij zijn tas nog moest inpakken. Het kind had blijkbaar stress. Ik overtuigde hem nog even te komen liggen. “Kom even lekker hier in bed liggen.” En hij deed het ook nog. En toen ineens uit het niets kwam de vraag: “mag ik een knuffel?”

Het was de beste tussen half zeven en zeven en het was de mooiste “ik heb een kind van me in bed ’s ochtends vroeg”. Want ik koesterde elke fractie van elke seconde. Het is niet perse, per definitie, de laatste keer geweest, maar wel misschien. En zo niet sowieso wel een van de laatsten. Ik was weer even een moeder van een klein kind en de hele wereld was veilig en overzichtelijk vanuit mijn bed. Met een kusje erop maak je alles in orde en alles komt goed.

Beste start van de dag ever.

Advertenties

Koningin Salomon. Zo voel ik me.

Nou. Daar zit ik dan. Hier alleen met Middelste. En ik probeer met mezelf in het reine te komen. Ik probeer mezelf te overtuigen dat ik een slechte beslissing heb moeten nemen om iets slechters te voorkomen.

Tot op de dag van vandaag snap ik niet wat mijn ouders bezielden destijds. Dat ze mijn zus en mij, twee kleine zusjes, uit elkaar trokken in de nasleep van hun vechtscheiding die na de uitspraak van de formele scheiding zelf nog 30 jaar virtueel “vrolijk” doorging. Ik snap niet waarom ze dat deden; mijn zusje en ik ook laten scheiden. Waarom dat nodig was. Zelfs met de kennis van nu begrijp ik dat nog steeds niet. Wat ik wel weet is dat het mijn zus en mij heel veel slechts heeft gebracht. Wat ik ook weet is dat mijn zus en ik werden verscheurd in loyaliteit naar beide ouders en dat wij de vechtscheiding van onze ouders dunnetjes als zusjes overdeden in een poging op te komen voor de ouder bij wie we woonden. Kleine kinderen die we waren.

En wat ik ook wist, toen ik dacht volwassen te worden, waren twee gouden regels. In beton gegoten, heiliger dan de stenen tafelen van Mozes. Twee basis-levens-principes die ik nooit, nóóit zou breken.

  1. Ik zou überhaupt nooit gaan scheiden, was het plan, maar als ik dat dan toch zou doen, dan zou ik er voor de kinderen nooit, nooit de vechtscheiding van maken die mijn ouders ervan hebben gemaakt. En ik zou mijn kinderen nooit bewust in een loyaliteitsspagaat trekken zoals mijn ouders dat hebben gedaan en ik zou nooit, nooit mijn kinderen opzadelen met grote-mensen-scheidings-problemen waar ze niks mee te maken hebben en waar ze niks mee kunnen en waar ze überhaupt nooit om hebben gevraagd. Er gaat een wereld van leed van jaren schuil achter deze paragraaf. Ongetwijfeld ook voor mijn ouders, maar zeker voor mijn zus en mij. Ongevraagde slachtoffers van een vechtscheiding.

Dat eerste is gelukt. Ik was verbeten. Maar net zoals dat je scheiden uiteindelijk onder de streep niet alleen doet (dat is onder de streep een proces van twee mensen), is “er geen vechtscheiding van maken” uiteindelijk onder de streep ook iets dat je gezamenlijk doet. Of niet doet, eigenlijk. Ik moet dus zeggen dat we zijn gescheiden en dat we er geen vechtscheiding van hebben gemaakt.

  1. Nummer twee was nog heiliger. Als je dan gaat scheiden, ga je nooit, nooit, nóóit, NOOIT, de kinderen uit elkaar halen.

Als ik twee dingen meen te weten, is dat mijn ouders heus verdriet moeten hebben gehad tijdens alles. Maar ik meen dus ook te weten dat het belang van mijn zus en mij niet perse voorop heeft gestaan in hun beslissing.

Ik weet een laatste ding zeker. Dit besluit hebben we genomen in het belang van Middelste en we menen zeker te weten dat dit goed is. Maar met de belofte dat als dit de oplossing niet blijkt te zijn (mijn God laat ons er niet naast zitten), we weer terug gaan naar het oude en op zoek gaan naar een betere oplossing. Je mag namelijk altijd terugkomen op een beslissing.

De rugzak van Anne

Na een etmaal uithuizig kijk ik naar mijn post en ik kijk naar het nieuws.
De post. Jodiumtabletten krijg ik binnenkort thuis gezonden. Of ik mijn post in de gaten wil houden. In case of nucleair ongeval. I roll my eyes al is er niemand om het te aanschouwen.
Ik kijk naar het nieuws. Rugzak Anne mogelijk gevonden. Ik snap het taalgebruik, maar de kans dat exact eenzelfde verlaten rugzak op een plek als die toevallig oppopt (samen met een mogelijke fiets en een inmiddels bewezen jas) en niet van Anne is, is een leuke om uit te rekenen. Er zijn tegelijkertijd om slechter berekeningen mensen onschuldig veroordeeld, aan de andere kant. Mensen zijn slecht in het correct uitrekenen van kansen. En nog slechter in het inschatten ervan. Enfin, zo dwalen mijn gedachten.
Tijn is ondertussen in het donker naar het huis van zijn vader gefietst om speelgoed te halen. Ik verwacht meer dan een selfie van hem: al is het maar een kilometer, ik wil horen hoe laat hij vertrekt van dat lege donkere huis op weg naar hier.
Jodiumtabletten? Nucleair ongeval? Rugzak mogelijk van Anne?
Ik weet dat mensen slecht zijn in het inschatten van risico’s, nog slechter dan het inschatten van kansen maar ik heb mijn rekensommetje al gemaakt. Professionele achtergrond of moederachtergrond of niet.
Tijn is thuis met een diepe puberzucht vanwege die (hij rolde vast ook met zijn ogen) overbezorgde moeder. Maar ik ben godzijdank niet de moeder van Anne.
Enfin, zo dwalen mijn gedachten.

Tessa

In mijn flat wonen (ik heb er al vaker over gelogd) stokoude weduwen en gescheiden vrouwen. En elke keer als er een oude weduwe het loodje legt stoppen ze er een gescheiden vrouw in. Eigenlijk zijn wij dus het Walhalla voor datende mannen van elke leeftijd, bedenk ik me. Maar goed, dat terzijde.

Een van de stokoude weduwen vind ik soms niet zo vriendelijk doen. “Ik ga mee hoor,” roept ze bijvoorbeeld, terwijl ik zou hebben gezegd “zou je de lift even kunnen tegenhouden voor me want ik loop niet zo snel”. Ze zei ook een keer “deze moet er ook bij”, terwijl ze me haar vuilniszakje aanreikte toen ik bij onze vuilcontainer stond. Ik weet dat ze heel slecht ter been is en het drempeltje naar de container niet kan nemen, ik zou het toch wel spontaan hebben aangeboden. C’est le ton qui fait la musique, niewaar?

Enfin. Gisteren liep ik de trap op toen ik haar de trap omlaag zag komen. Heel moeizaam en behoedzaam zoals ze altijd doet, stokoud als ze is. Ik zag dat ze een heel mooie jas aan had. Bloedrood, echt schitterend. Ik zei er wat van en keek haar aan en zag toen dat ze een grote bloeduitstorting rond haar oog had, net zo bloedrood als haar jas.

“Hemel wat is er gebeurd?”, riep ik uit. Ze vertelde dat ze was gevallen en dat ze zes uur op de eerste hulp had gezeten. Ze had overal verwondingen. Ze liet haar hand zien die afschuwelijk was gezwollen en blauw-zwart zag. Het arme mens. Ik durfde niet te zeggen dat het een godswonder was dat ze niks had gebroken. Ik stamelde dat als er iets is dat ik kon doen, ook voor de toekomst, ze kan altijd aankloppen……zo’n verhaaltje. “Ik ben Wendy, van nummer negen.” En toen zei zij “Ik ben Tessa. Van nummer veertien.”

En toen was ze ineens geen stokoud dametje meer dat soms niet zo vriendelijk doet. Toen was ze ineens een Tessa. Van nummer veertien.

Zelfs de bedrijfsarts waar ik werk is goud waard

k kijk Arthur aan.
(Na zoveel jaren “gedoe” zijn de bedrijfsarts en ik “on first name basis” uiteraard.) 
En ik stel een lange vraag in de zin van: Is dit normaal wat ik voel en qua energie en dat opbouwen hoe doe je dat het beste en is dit normaal? Dit is voor mij de eerste keer, zeg maar.
 
En hij heeft een lang antwoord waarin hij onder andere zegt:
 
Mijn recept voor terugkeer (naar werk) is altijd hetzelfde, ongeacht de kwaal. En dus heb ik het opgeschreven, ik heb een heel makkelijk beroep. (Hij overhandigt me een A4’tje.)
[…] Ik wil dat je me nu geen antwoord geeft (over de planning van nu tot volledig herstel), want dan geef je me een sociaal wenselijk antwoord. Ik wil dat je het meeneemt en me over een poosje antwoord geeft. De ervaring leert dat dat antwoord van jou dan het beste klopt.
[…] Het is de kunst van het begrenzen. Als je gaat tot “nu kan ik niet meer” ben je te ver gegaan.
[….] Een volkomen lege batterij is moeilijker op te laden dan een lage batterij.
[….] Zet laag in en maak een plan. Die mag je altijd aanpassen, plannen zijn er om aan te passen anders hoef je überhaupt geen plannen te maken.
[….] Ga vooral niet IJzeren Heinen.
[…] Accepteer dat het op en neer gaat en dat het soms minder gaat dan je denkt. En soms ook veel beter.
[….] Wat ik bij jou zie past volkomen bij het beeld van een acute overspanning: je middelt vrij snel weer uit naar jezelf, maar het kost wel tijd. Accepteer dat.
Nou. Dat dus. Ik liep volkomen happy zijn kantoor uit. Een beetje het tegenovergestelde als waarmee ik het inliep. Al had ik beter moeten weten.

Daar sta je dan, kankervrij

Het kostte enige moeite om uit te leggen aan de coördinatrice der donateuren des KWF’s dat ik wel wil lopen, maar echt niet meer in mijn oude wijkje, en na een minuutje of tien  begreep ze het geloof ik.

Dus vandaag liep ik voor het eerst in mijn nieuwe wijk. Voor de KWF. Nieuwe wijk in 4 jaar. Let’s go. Ik hou van collecteren. In een vorig leven had ik marktkoopman kunnen wezen! Kid you not.  Al die stuivers die kleine kindjes erin doneren en dat ik dan zeg “hoe zwaarder hoe beter!” Ik bel aan en ik geniet! Ik kijk in die keuken, ik zie een heel leuke theemuts en dan blijkt die theemuts ineens het bloesje van de bewoonster met een bochel. Poeha, hoe grappig. En dat je aanbelt op een onbekend huisnummer en je oude buurvrouw opendoet en zegt dat ze uit principe niet geeft. Kan ook. Ook best bitter.

Maar. Waar doe ik het voor? Voor mij. Voor jou. Voor mijn kinderen. Voor jouw kinderen Daar doe ik het voor . En ik ben er goed in.

Ik zeg nooit “heeft u iets over”, ik zeg altijd “goedenavond, ik collecteer voor het KWF.”

It’s all good fun, isn’t it.

Vanavond.

Ik bel aan. Ergens…..”Ik collecteer voor…..”
Hij (huilend): U heeft geen flauw idee waar u aanbelt
Hij huilt en er komt een jonge vrouw in de deuropening.
Ik pak zijn onderarm vast en de ophaalbus zit in de weg.

Ze loopt langs hem om naast mij. Ik pak ook haar vast.

Ze is heel jong, Begin 20. Ze pakken mij ook allebei vast.

“Mijn zus wordt ingeleid, nu, want onze moeder ligt heel slecht.”

Ze sprint de galerij af.

Ik sta met de collectebus aan mijn onderarm haar na te kijken.
Daar sta je dan, zelf vijf jaar kankervrij.
Daar sta je dan.

Ik loop naar huis en ben totally klaar met collecteren.

 

 

De prijs van een gebroken hart

Vanmiddag liep ik toevallig samen met de lieve Brompot van een paar deuren verder over de galerij. De man is getrouwd met een heel lieve dame die zo zoet is èn oogt dat hij nog brommeriger lijkt dan hij wil doen voorkomen. Met zijn borstelige zwarte wenkbrauwen bij die grijze bos haar en zijn vreselijk onverschillige sloffende tred. De eerste keer dat hij me zag wenste hij me veel geluk hier in de flat. “Huh, maar ik zou het niet gekocht hebben”, bromde hij erbij, “het is oud, die troep hier.” Maar hij wenste me wel geluk. Een andere keer zag hij me spinrag bij de voordeur en de kozijnen weghalen met een borstel. “Heeft geen zin!”, bromde hij, “Met de herfst wordt het alleen maar erger, komt door die lamp bij je deur.” Hij knikte erbij naar die lamp om aan te duiden welke lamp hij bedoelde, mocht ik het niet begrepen hebben. Die oude troep hier heeft namelijk van die typische galerij-lampen. Maar ik zag wèl dat hij zag dat ik geniet van mijn huisje. Dat zag ik. Dit is gewoon zijn manier van een geïnteresseerd praatje pot: een praatje Brom. Ik persoonlijk vind dat de man een enorm hoog knuffel-gehalte heeft. Maar dat doe ik niet. Anders krijg ik zo’n reputatie in de flat.

Maar goed. Lang verhaal kort. Vandaag liep ik toevallig met de lieve Brompot over de galerij. “Heb je dat hondje niet meer.”, bromt hij. Hier in de flat met 36 appartementen ziet en hoort iedereen uiteraard alles. Het is een mini-dorp in ons dorp. Ik leg uit wat er is gebeurd en waarom Fletcher hier niet meer woont maar is herplaatst. Hij luistert met een opgetrokken borstelige wenkbrauw. “Het is ook best een wildebras, één baasje is beter voor dat beest.”, bromt hij vriendelijk. Om er vervolgens van de weeromstuit achteraan te bulder-brommen: “En anders was ze álles in je huis gaan slopen van ellende!” Maar hij had oprecht aandacht voor mij en mijn verhaal, die lieve Brompot. Het doet wel weer zeer. Fletcher missen, ik voel het in mijn buik terwijl ik de voordeur opendoe.

Als ik even later terugkom from running another errand open ik beneden mijn brievenbus. Post van de dierenarts. “Die rekening komt later wel, ga maar naar huis voor nu.”, had hij gezegd. Drie weken voordat Fletcher naar het betere baasje ging, deden Luuk en ik onverwachts het enige humane dat we konden doen voor Miss Marple. Binnen 8 dagen weggevreten door kanker in haar lijfje. Ik maak de enveloppe open en kijk naar het bedrag dat lager uitvalt dan ik had gedacht. De man heeft werkelijk alle alle tijd voor ons genomen. “Dit kán zijn uurtarief en de chemicaliën niet dekken.”, denk ik belachelijk rationeel. Om erachteraan te denken dat ik nu weet wat het kost om je hart te breken. Best weinig.WhatsApp Image 2017-09-05 at 17.01.42

Over wit kort haar

Ik zit bij de bedrijfsarts omdat ik door mijn hoeven ben gezakt. Ik kijk naar zijn bekende gezicht. Zo’n olijke man om te zien dat je niet verwacht dat hij zoveel in huis heeft. Of juist wel. Anyway. Ik had hem eerder deze week overstuur gebeld vanaf kantoor en hij had mijn agenda gevonden om de afspraak te maken dus ik nam aan dat hij wist wie hij voor zich had.

Maar hij is uiterst formeel en kijkt naar zijn scherm en laat het me zelfs zien: “Nou, ik zie een uiterst blanco medisch verleden.” Ondanks mezelf schiet ik in de lach en ik schiet in mijn cynische “ik voer een toneelstukje op want daar ben ik beter in dan emoties”.

“Serieus? Ik heb hier toch héél wat keertjes gezeten met jou, wat zeg ik, ik rolde hier meestal naar binnen! Misschien herken je me beter met een rolstoel!” En ik doe met gebaren alsof ik in een rolstoel beweeg. Ik lach erbij alsof ik een grap maak maar ik vind het qudt. Daar vloog mijn dunne vertrouwen uit het raam. Ik weet dat hij er nog niet was met kanker maar ik weet ook dat hij weet dat het niet zo lang voor het ongeluk was. Hoezo, blanco medisch verleden? Moet ik hem nu echt, echt alles, álles, a.l.l.e.s. gaan uitleggen? Het liefst was ik weggelopen. Zoveel gesprekken met hem en nul is blijven hangen. Ik ben tot de tanden gewapend. Slecht intro als je aan probeert te geven dat je het niet meer trekt.

Hij kijkt me opnieuw aan. “Oh, Wendy C., je heet toch C?” Ik kijk hem aan: “Nou nee, dus niet meer en dat is een van de redenen dat ik je belde.” Hij kent mijn voormalige (getrouwde) naam dus blijkbaar wel op afroep. Van de duizenden patiënten die hij heeft. “Ja maar”, vervolgt hij, “je had ook kort wit haar en niet dit.”  En hij wijst naar mijn haar dat alweer redelijk lang is geworden.

Needless to say hadden we daarna een goed gesprek. Met tranen. De man met het olijkste uiterlijk had het beste advies. Nu alles uit handen laten vallen. Alles. Je hangt aan de rand van de cliff en je moet loslaten. Alles. Als je nu niet loslaat kom je hier over een paar weken nog steeds hangend aan de cliff en hebben we alleen maar tijd verloren. En loslaten is niet alleen werk he, niemand zakt alleen door werk door zijn hoeven.

Ga ik morgen nog dan wel die afspraak door laten gaan? Die is toch best heul heul belangrijk! En de telefoon mee dit weekend? Er waren toch best wel dingen die speelden.
Ik besloot Arthur te vertrouwen. Los. Los. Weg. niet alleen de afspraken werktechnisch. Ook de rest.

Vandaag met de jongens vertel ik hen op mijn manier dat ik naar huis ben gestuurd door werk. En ze snappen het. Volwassen worden betekent niet dat je het allemaal zomaar kan, alles.

 

De dag die ik wist dat zou komen is eindelijk hier.

Ik loop met Middelste naar het huis van hun vader, de andere twee zijn op de fiets.
Hij huppelt en springt en keuvelt over Turkije.
Ik loop naast hem en keuvel mee en voel me dubbel.
Nee, ik lieg. Ik voel me niet eens dubbel.
Ik vraag me af hoe ik in godsnaam 3 weken zonder hen kan overleven.
Nee, ik voel me wel dubbel, ze hebben zoveel zin in Turkije dat ik dat ook voor ze voel.
En ik heb zin in vrijheid. Ook.

Als we aankomen in de straat zien we andere twee net aankomen op de fiets.
Op de verkeerde kant van de weg, zonder handen, minimaal 300 euro aan verkeersovertredingen waardig……
Ik besluit er niks van te zeggen en gewoon te observeren. Voor vandaag.

Ik lever Middelste af aan de voordeur en loop nog even naar binnen om de andere twee te knuffelen die achterom zijn gearriveerd.

Ze zijn hyper en blij, blij papa te zien en zijn vriendin, en blij omdat ze morgen op vakantie gaan.
Ik ben ook blij voor ze. Ook voor hun papa.

Terug lopend naar huis laat ik een paar tranen.
Ik ben de hele avond aan het tuttelen en scharrelen en doen in mijn huisje en voel me thuis en rustig in mijn thuis. Rustig verdrietig en rustig blij. Toch dubbel, dus.

De agenda staat bol van de afspraken, maar mijn ogen blijven een beetje wateren de hele avond. Het gaan best wel lange weken worden.

Rouwen om een collega Repel Style

Ik werk er op een haar na 10 jaar.
Elke ochtend kom ik binnen en dan zitten er lui achter die balie.
Ik maak er een gewoonte van goeiemorgen te zeggen.
Ze zeggen allemaal goeiemorgen terug, maar sommigen enthousiaster dan anderen.
Ik zeg het vast ook enthousiaster dan anderen.

Je hebt die ene die ook loopt, en die weet dat ik date en die wil weten hoe het gaat.
Je hebt die ene die lijkt op het jongere broertje van de manager van de AH reclame.
Je hebt degene die altijd grapt dat ik gewone kleren aan heb en geen hardloop kleding.
Je hebt degene die altijd lacht en lief is en bijna flirt.
Je hebt degene die me altijd in de maling neemt en die er altijd in slaagt.
Je hebt degene die er op hetzelfde moment kwam werken als ik. Op de dag af.
Je hebt degene met die mooie sleeve tattoo.
Je hebt degene die…..nou ja, U snapt: ik ken ze…..allemaal

Op een moment heb ik ze ook allemaal “les gegeven” in mijn vak. Zij kennen mij ook.

Ik zie de nieuwe bril.
ik zie het nieuwe kapsel.
Ik wens ze een goeie dienst.
Ik maak een praatje.
Zeker als ik druipend van het zweet terug kom van een #rondjeindebaaszijntijd.
Zij lachen, ik lach.

Sommigen zijn me dierbaarder dan anderen.

Vanmorgen deed ik mijn computer aan en zag ik dat “een oud collega” was overleden.
Ik zag de naam en herkende hem niet.

“Vast van voor mijn tijd”, dacht ik, terwijl ik op de link klikte.

Bam. Die foto.

Hij.

Je hebt degene die altijd lacht en lief is en bijna flirt.
Als je ’s ochtends op werk komt en hij zit achter de balie is het okay.
Dn loop je naar je kantoor met een blij gevoel.
Tien jaar lang was hij een hoofd dat het fijn maakte op werk te komen.
Ik heb nooit geweten hoe hij heette.Maar hij was 10 jaar lang een constante blije factor.

Ik wist niet dat je twee maanden geleden was gestopt met werken. En nu ben je echt weg.