Macht

“Wat ging er hier mis? Denk je.”
Je kunt de toon erbij verzinnen.
Dat u mij tutoyeert, om maar eens mee te beginnen, dacht ik.
Maar het leek me beter om dat niet hardop te zeggen.
Zijn intonatie, blik en lichaamshouding vertelden mijn onderbuik dat ik een half weerwoord was verwijderd van een bekeuring.
Maar ook, dat ik met de juiste houding en reactie die bekeuring niet ging krijgen.
Wonderbaarlijk hoeveel je je kan realiseren in een split second.
En dat gebeurde allemaal terwijl ik net in between songs was op mijn playlist.
“Pardon, wacht even”, zeg ik, terwijl ik op pauze druk terwijl een nieuw liedje begint.
“Dat is ook niet goed he? Dat leidt af in het verkeer. Stop die oortjes maar weg.”
Hij sloeg zijn armen over elkaar en nam een houding aan die mij moesten bewegen de oortjes letterlijk fysiek op te bergen terwijl hij boven me uit torent.
Ik ben een vrouw van middelbare leeftijd, geen kleuter noch puber, en u moge dan in functie zijn, ik ben uw gelijke, geen ondergeschikte. Geloof het of geloof het niet, maar ik dacht woorden van die strekking (maar dan in het heel boos), en het leek me veel beter dat niet hardop te zeggen. Zeker met de golf van woede die ik voelde. Het had zomaar gekund dat ik een half weerwoord was verwijderd van het beledigen van iemand in functie.
“Je was zeker afgeleid he? Je zat zeker mee te zingen?”
Ik keek hem met oprechte verbazing en inmiddels los van de woede ook met onderkoelde minachting aan.
“Maar wat ging hier nou mis?”, ging hij door.
Ik gaf het antwoord waarvan ik wist dat hij het wilde horen.
“Precies”, zegt hij, “en wat nou als er op dat moment net….”
Ik liet hem uitpraten terwijl ik hem vol in de ogen keek. Ik maande mezelf tot geduld, want een houding van ongeduldheid zou averechts werken.
Hij liet een pauze vallen.
” Je bent geschrokken he?”
Ik keek hem weer vol aan. “Ja”, loog ik. Het stormde inmiddels nog harder in mijn buik.
“Ga dan maar even aan de overkant stilstaan om daar even tot rust te komen”
“Nee hoeft niet, ik ben er al.” Het eerste niet gelogen antwoord kwam uit mijn mond.

Een en ander totaal onafhankelijk van of ik verkeerstechnisch fout zat. In dit geval is dat werkelijk irrelevant voor mijn blog.

Advertenties

Het is het ergste voor de kinderen

Zeggen ze. Het is het ergste voor de kinderen.

Ik had me dat gerealiseerd toen ik de beslissing nam.
Ik had het me alleen niet gepermitteerd dat het voor mij ook moeilijk was.

Ik had me gerealiseerd dat ik de kinderen zou gaan missen met co-ouderen.
Ik had me alleen niet gerealiseerd en niet gepermitteerd dat ik het alleen maar rationeel wist, en dat ik dat ook echt fysiek en emotioneel tot in het diepst van mijn hart en ziel zou gaan voelen, dat missen. Totdat het fysiek pijn doet.

Ik had me gerealiseerd dat alleen doen zwaarder is, veel zwaarder.
Ik had me alleen niet gerealiseerd en niet gepermitteerd dat ik het ook zou ervaren, dat het zwaarder is.

Het is de top drie dingen die ik verkeerd had ingeschat omdat ik alles op standje handelen deed. Dat voelen kwam pas later, zoals het bij mij altijd gaat.

Zo ontzettend goed als het was om de beslissing te nemen, zo ontzettend heb ik me verkeken op het leed dat er voor mij impliciet bij hoorde.

Ik had voor de kinderen gehoopt dat hij snel een nieuwe partner zou vinden,
met zijn 24 uurs diensten.
En toen ik na anderhalf jaar echt niet meer mijn leven nog steeds wilde schikken naar, en passen en meten aan zijn dagdagelijkse rooster en er bot een week-op-week-af door forceerde, was ik blij dat die er was, die nieuwe partner.
Ik was toen pas eindelijk los van mijn oude leven en had het motto: als ik dan de prijs heb betaald van de kinderen missen, heb ik ook recht op enig voordeel van zonder ze te zijn. Een stuk echt eigen leven.

Toen bleek dat de kinderen dol op haar zijn had ik gehoopt dat ze zouden gaan samenwonen, dan kon ik mijn zorgen die ik had over “hoe gaat het met ze als hij 24 uurs diensten draait” loslaten.
Toen ze gingen samenwonen was ik opgelucht en kon ik ook die box afvinken.

De afgelopen week schreeuwde mijn onderbuik net zo hard tot ik eindelijk een keer luisterde.
Ik had me niet gerealiseerd (nee: niet gepermitteerd) dat het pijn doet dat als ik ze een week niet heb, er een andere vrouw bij ze is. Iemand die ze troost, iemand die met ze lacht, iemand die er is als ze thuiskomen, iemand met wie ze naar hun serie kijken, die huiswerk met ze maakt, die met ze eet. Een week lang, vol in hun leven.

En die iemand is niet ik.

Ik had me niet gerealiseerd (gepermitteerd) hoeveel pijn dat doet.

De zevende editie

Het is 2019. Het is januari. Tijd om de controle in te plannen. De zevende. Maar vorig jaar hoorde ik dat ik niet meer het ziekenhuis zelf moet bellen, maar de huisarts. Ik moet verwezen worden door de huisarts voor mijn jaarlijkse controles die ik heb van 2012 tot aan mijn 60ste. Daarna mag ik regulier om de 5 jaar, net als de rest.
Ja maar, ik ben dus al een bestaande klant met een bestaand behandel- en controleplan, dacht ik nog, waarom moet er ineens een extra schakel tussen?

Ik snap het niet.

Vandaag belde ik mijn huisarts en ik kreeg de assistente aan de lijn. Die vrouw die ik altijd aan de telefoon hoor als ik daar in de wachtkamer zit. “En hoe lang heeft u die klachten al? Oh, en hoe rood is het? Kunt u komen met verse urine niet ouder dan 2 uur? Wat was uw geboortedatum? Kunt u nog wel zitten? ”

Nu heeft de wachtkamer haar kunnen horen terwijl ze mij aan de lijn had.
Ik: ik wil graag een verwijzing
Zij: dat kan alleen via het spreekuur en dan doet ze een borstonderzoek
Ik: maar het is een verwijzing voor iets dat al loopt, zij hoeft dat niet te doen
Zij: nee, dat moet want dan kan ze voelen of er iets is
Ik: maar het gaat om…..

Kansloos!

Dus ik zit later op de dag in de wachtkamer en hoor dat mens aan de telefoon. “En wat is de temperatuur? Oh, en wanneer was dat voor het laatst? Ik heb nog een gaatje morgen om half 10.” De huisarts roept me binnen en ik wil een verwijzing.

Ze typt hem uit en vraagt of ze nog een borstonderzoek moet doen.
Wat ik zeg: “Nee, dat hoeft niet, want je zult toch alleen maar een heleboel knobbels voelen waarvan je niet kan voelen of het goed of kwaad is en of er eentje bij is. Daar is die foto voor.”
Wat ik denk: “Je blijft met je tengels van mijn borsten af, daar hebben al veel te veel medische onbekende handen aangezeten.”

Maar het aller-, allerergste?
Edities 1 tot en met 6 kreeg ik de uitslag een half uur nadat de mammo was genomen. Nu gaat de uitslag naar de huisarts omdat die de verwijzer is. En daar gaat minimaal een dag overheen. En omdat de controle op vrijdag is, hoor ik het pas maandag. Fijn weekend nog.

Ik snap het niet.

Trias Politica

Volgens mij staat mijn morele kompas in het algemeen redelijk recht richting noorden.
Ik denk ook dat ik een behoorlijk rechtvaardigheidsgevoel heb en ik geloof in random acts of kindness.
Volgens mij ben ik empatisch en heb ik veel liefde te geven.
Maar ik denk ook dat ik de wereld met nuances analytisch kan benaderen en aspecten van veel kanten kan bezien.

Natuurlijk kan ik ook enorm onredelijk zijn, kan ik onterecht uit de bocht vliegen, laat ik me op stang jagen en kan ik onhebbelijk zijn, maar per saldo ben ik een goed mens.

En ik denk ook dat ik een goede moeder ben, onder de streep.
Ik heb liefde over, ik kan ze helpen met school en ik kan ze helpen op sociaal vlak. En ik weet nu dat ik ze kan (laten) helpen als ze serieus vastlopen.
En ik kan het enorm fijn met ze hebben, tussen het opvoeden door. Ik waardeer ze alledrie enorm om wie ze zijn.
En ik geloof dat ik oprecht probeer drie goede, (mentaal) gezonde en gelukkige kerels af te leveren bij de volwassen wereld.

Natuurlijk kan ik een kort lontje hebben, kan ik een muggenzifterige zeurkous zijn en kan ik uit de bocht vliegen, maar per saldo ben ik een goede moeder.

Maar sinds ik het alleen moet doen, dat hele “opvoeden gebeuren”, loop ik tegen iets aan.
Ik weet dat ik volkomen terecht roep dat ze hun kleding in de was moeten gooien, hun schoenen in de gang moeten zetten, de deur achter kun derrière dicht moeten doen en dat ze moeten helpen met afruimen.
Dan vraag ik me niet af of ik het goed doe.
Maar voor de grotere issues in het (opvoeding)leven bots ik tegen het volgende aan.

Ik heb de wetten gemaakt.
En het beleid.
Ik ben regering, oppositie, eerste èn tweede kamer ineen.
Ik ben tevens de handhaver.
Daarbij ben ik opsporingsambtenaar, openbaar aanklager, advocaat èn rechter ineen.
Ik ben gevangene bewaarder en ik ben ook nog eens de reclasseringsambtenaar.
Ik daarbovenop ben ook nog eens de geestelijke met het morele oordeel.

Wat nou als ik een gerechtelijke dwaling maak?
Wie is de Peter R. de Vries die ze heroïsch vrijpleit met de mening van het publiek achter ze?
Wie is mijn kritische noot?
Wie stelt mijn beleid en regels ter discussie?
Hoe weet ik dat ik het goed doe?

Ik doe ook maar wat, per slot van rekening…al meen ik het juiste te doen.

Het jongetje dat geen angst kende

Hij kon nog maar nauwelijks lopen toen hij als klein jongetje telkens bovenaan de trap met een luide “WOEIIIIII!!!!!” zichzelf van de trap stortte in mijn armen.
Of ik er nu op berekend was of niet.

De inkt op zijn diploma A was nog niet eens droog toen hij 2 uur na het behalen ervan op de hoge duikplank stond tussen de tieners om bommetjes te maken in het water.
Ik was hem maar 1 seconde uit het oog verloren.

Nadat een vriendje had gezegd “jij durft echt niet in die sloot te springen”, heb ik een verbod uitgevaardigd op het woord bluf binnen een straal van 200 meter.

Hij was het jongetje dat geen angst kende.

Maar toen kwam de terror klas en ik begrijp nu pas hóe ingrijpend dat in zijn leven is geweest. Er waren zoveel incidenten en vele twijfels mijnerzijds. Je haalt een kind niet zo een, twee, drie van school. Dacht ik.

Maar toen hij van de trap werd geduwd was de maat voor mij vol: het kind gaat van school en wel nu. Na hem volgden nog drie anderen uit die klas, hoe zwart de intern begeleidster mij ook had willen maken. (Ik was die moeder die alleen maar boze mails stuurde.) De laatste die ging, schakelde de inspectie in en verweet ons dat wij dat niet hadden gedaan.

De nieuwe school was een verademing. Totdat ik werd gebeld door de moeder van een vriendinnetje. Hij was bij een partijtje in een soort kinderdisco getuige geweest van een pest-festijn onder een andere groep. En hij was toen onbereikbaar voor anderen in een hoekje gaan zitten huilen. Alles kwam terug. Maar het ging gaandeweg beter met hem. En toen kwam de scheiding en was ik druk met mezelf.

Hij zei altijd dat hij ADHD had. En ik zei altijd “nee joh, je bent een heerlijk expressief kind!” Hij had zijn woede, zijn buien, zijn doorgaan-als-de-rest-al-was-gestopt, tuurlijk, maar ik zag er geen ADHD in. Ik zag een heerlijk expressief kind dat geen angst kent.

Ik zag niet dat hij inmiddels al heel veel angst kende.

Toen de oudste de diagnose ADD kreeg was ik zo verbaasd: het kind heeft tot en met 4 VWO zijn ADD (sorry, ADHD type I, voor de kenners onder jullie, nieuwe nomenclature) weten te compenseren met slimheid. Maar dan gaat het wel pittig worden. Te pittig om te compenseren zonder handvatten. En gaandeweg dit traject met hem, dacht ik aan jongste.

Dus daar zaten we vandaag. Voor een ADHD intake. Als hij zegt vast te lopen en oudste heeft de diagnose, let’s go. In het jaar voor de middelbare een goede om te weten of je het vinkje wel of niet kan zetten…

En toen kwam de uitslag.

Ze kunnen helemaal niet zeggen of hij überhaupt ADHD heeft. Om dat te weten te komen moeten ze eerst (moet híj eerst) door dat trauma heen. Het kind heeft namelijk een trauma opgelopen door het pesten. Een trauma waardoor hij continu in een stress-vlucht-modus functioneert. Wegstoppen, wegstoppen, niet aan denken. En ondertussen loopt je trauma als een donkere schaduw met je mee.

Daar waar ik bij de middelste altijd het donkere wolkje boven zijn hoofd zag, daar heb ik bij mijn jongste de donkere lelijke schaduw gemist die met hem meeliep.

Mijn jongetje dat geen angst kende heeft met veel te veel angst rondgelopen de laatste jaren.

This. Ends. Now. We kunnen gelukkig direct aan de slag.

bf9fd8d2-48ff-432e-b99a-7c2347156fe7

Gezin

Mijn ex heeft een vriendin en ik heb inmiddels ook een vriend. Allebei al een dusdanig poosje dat je er gevoeglijk van kan uitgaan dat ze in het leven van onze gezamenlijke kinderen zitten, nog meer gaan zitten, èn gaan horen. Al horen, eigenlijk.

En dat is heel fijn. En het brengt ook gevoeligheden met zich mee. Tegelijkertijd. Ik heb er heel lang over moeten nadenken en ik heb er heel veel met mijn peut over gesproken en er kwam zelfs en punt dat ik iets benoemde waar zij nog niet bij had stilgestaan, kan je nagaan. Dat heeft niks met intelligentie te maken, maar met pas weten wat het is als je er zelf voor staat. Als je het meemaakt.

Mijn vader ging weg bij mijn moeder toen ik 9 was. Mijn vader leerde zijn vriendin kennen toen ik 16 was. De vrouw is in zijn en dus in mijn leven vanaf mijn 16e. Ik kan me mijn leven opgroeiend van af mijn 16e niet zonder haar voorstellen. Ze heeft me dingen geleerd. Smaak in mode bijgebracht. Kunst, de Franse cultuur. Smaak in sieraden. Samen stappen toen we allebei in Leiden woonden….Ze maakte mijn eerste vriendje mee en ze is de oma van mijn kinderen. Ik ken haar 31 jaar. Al tweederde van mijn leven dus.

En toch…was het niet mijn gezin, waar ik was daar als ik er was. Het was een samenstelling van mensen waar ik van hield. Maar het gezin waar ik uit kwam was kapot en ik kon niks nieuws ons “gezin” noemen.

Je kan een uniek stuk kunst niet vervangen door een ander stuk. Je krijgt een nieuw ander mooi kunstuk terug, hopelijk. Maar dat ene unieke stuk is voor altijd weg en kapot.

De vriendin van mijn vader was en is een integraal deel van mijn leven. Een volwaardig deel van het leven van mijn vader en van mij. En toch noemde ik het nooit mijn gezin. Voelde het nooit mijn gezin want daar was in de combi met mijn vader en ik maar een van. En dat was met moeder en zus.

René en ik hebben het fijn. Heel fijn. Als we met mijn jongens zijn is het ook enorm fijn. Maar we zijn geen gezin, hij en ik met mijn jongens. Dat ben ik ook niet als ik met René en zijn meiden ben, hij en ik met zijn meiden zijn ook geen gezin, al houd ik heel veel van zijn meiden. En samen met de kinderen allemaal zijn we al helemaal geen gezin.

We zijn geweldige samengestelde zootjes ongeregeld. We zijn mooie kunststukken. We zijn mooie stukjes patchwork lappendekens en er is enorm veel liefde. Maar mijn jongens hebben al een vader, zijn meiden hebben al een moeder, en mijn jongens hebben ook al een moeder.

Het gezin dat ik had met de vader van mijn kinderen is kapot en kan nooit meer terugkomen. In geen enkele situatie. Dat is verdrietig en is voor mij een litteken. Iets onvervangbaars.

Toen mijn ex een fotoshoot maakte met zijn vriendin en de jongens zag ik heel mooie foto’s voorbij komen. In allerlei constellaties. Het zag eruit als een heel leuke en gelukkige shoot. In een van de foto’s met 5 echter, stonden ze geposeerd in een “gezin”-compositie die vader-moeder-kinderen uitbeeldde en die foto vond ik heel naar en gaf me kortsluiting. Het heeft me heel wat denkwerk gekost, maar ik weet nu waarom. En dat is dit.

Ik ben geen onderdeel van heel veel gezinnen. Ik was onderdeel van mijn ouderlijk gezin  en ik was onderdeel van mijn eigen gezin. Klaar. Vanaf nu ben ik onderdeel van diverse samengestelde lapjes en units. Het feit dat het woord gezin zo’n lading heeft wil niet zeggen dat ik de samengestelde units en lapjes niet veel meer waardeer.

Maar ik geloof dat ik nu pas rouw om het verlies van iets dat onomkeerbaar is.

Contactadvertentie. Gezocht: Het perfecte tasje

Picture it, Leiderdorp, 8 september 2018.

Vrouw in tassenwinkel, terwijl ik naar de tasjes kijk: Mevrouw kan ik u helpen?
Ik, glimlachend: Nee. Ik zoek het perfecte tasje. Mijn hele leven al.
Zij, schiet in de lach: Ik snap het.
Ik, zuchtend, klaar met snuffelen door de rekjes: Ooit gaat het me lukken, maar vandaag is niet die dag, dank u wel, fijne dag.
Zij, lachend: Ooit!

Ik zoek het perfecte tasje.
Ik heb heul veul tasjes. Heul veul. Echt. Trust me.
Tasjes die leuk zijn en tasjes die okay zijn en miskleunen en miskopen.
Maar ik mis het perfecte tasje.
De tasjes die ik heb hebben óf te veel vakjes, óf te weinig.
Zijn óf te groot, óf net te klein.
Groot is niet erg. Als ik het perfecte tasje zou hebben, zou ik het meedragen naar een galadiner. Te groot kan niet als ik het perfecte tasje heb.
Het perfecte tasje kan namelijk bij alles.

Als ik mijn top 5 tasjes op een rijtje zet die het allemaal net niet redden:
Ik heb een heel mooie A4 formaat leren Über-dure die je ook als rugzak kan dragen, heel chique slash hip. Goeie opening en goeie sluiting, juiste aantal vakken. Maar hij is staand A4 formaat en ik wil liggend A4 formaat want alles zakt te diep weg. Ik graai me te blubber ellebogen diep naar mijn sleutels. Laat staan naar mijn anti-koortslip-tubetje.
Ik heb een heel lief mini-rugzakje met uiltjes, maar die heeft maar 1 groot vak en ik ben altijd alles kwijt. Het is net een grabbelton.
Ik heb een heel gave handige outdoor hiking over de schouder ding, leuk genoeg voor altijd, maar die heeft zoveel vakjes dat ik nooit iets kan vinden. En na een paar jaar heb ik opgegeven dat een logische ordening mogelijk is.
Ik heb het perfecte mooie leren tasje maar die hengsels zijn te kort, die kan niet over mijn schouder, maar alleen aan mijn hand gedragen worden. Als je ooit met krukken hebt gelopen zoals ik, wil je voor altijd beide handen hebben en wil je niet 1 hand kwijt zijn. Boodschappen doen met dat tasje is een no-go.
Ik heb het perfecte kleine mooie leren uitgaanstasje, maar dat hengsel is niet verstelbaar en te lang zodat hij stuitert op mijn bovenbeen als ik loop. En ik ben daarbij 47 en mijn leesbril past er niet meer bij.

En ja. Ik heb een BiB. Een Bag in Bag die ervoor moet zorgen dat je je kleine meuk moeiteloos van het ene naar het andere tasje kan verplaatsen. Luister mensen: het werkt niet. Een BiB is gewoon een volgend, een ander niet perfect tasje.

Ze zijn allemaal nog steeds niet het perfecte tasje.
Ik zoek door.
Mijn hoop is nu gevestigd op een ouderwetse dokterstas. Zo’n mooie leren bruine. Zo eentje als ik heb, maar dan in liggend A4 formaat. En ik zoek op internet en ik doe en ze zijn duur en ik ga er eentje kopen.

En ergens weet ik ook dat dát tasje…niet het perfecte tasje gaat zijn…

 

 

Van oude besjes en de dingen die voorbij gaan

Ik woon nu 20 maanden in mijn flat en het verandert, het wonen hier. Er is al veel veranderd en ik voel nu dat hoe het hier was, deel was van mijn aarden en landen hier. En met alles wat verandert moet ik afscheid nemen van datgene waardoor ik mede van deze flat ging houden. En dat maakt me nostalgisch.

De buurvrouw die me verwelkomde met de woorden dat ze zes jaar ervoor had gedaan wat ik had gedaan en hier zo zielsgodsgelukkig was met haar drie kinderen is inmiddels overleden. Daar woont nu een koppeltje dat niet groet. Voor het eerst bewoners in de flat die niet groeten.

De onsympathieke sophisticated vrouw die in haar tijd erg mooi geweest moet zijn, is nu zo slecht ter been dat ze de trap echt niet meer kan nemen. Ik zie haar nooit meer in haar schitterende bordeaux rode robe de trap af gaan, de leuning met twee handen vasthoudend. Ze is nu zo slecht ter been dat ik haar laatst moest helpen met haar extra tas, zo slecht ter been dat ik de tas tot in haar appartement moest brengen en dat ze me bedankte. Zo oud, dat ze niet eens meer onsympathiek kan doen. Dat kan ze zich niet meer veroorloven. Ze stelde zich weer voor en vroeg wie ik was, voor de ughste keer. Dat verandert dan weer niet.

De buurvrouw die na een breuk zo ineens heel slecht ter been was zie ik niet meer, al een poosje niet. Ik zie wel twee bordjes VERKOCHT. Eentje nog onder voorbehoud. Alle oude besjes gaan dood en dan verkopen ze de oeroude huurwoning aan een gescheiden vrouw of aan koppeltjes die niet groeten.

Alle eerste huisjes op de gallerijen zijn piep kleine 2-kamer appartementjes, en het stel op mijn etage is deze maand verhuisd. Zo’n ontzettend lief heel jong stel. Die groetten wel. Maar ze hebben een huisje gekocht, geef ze eens ongelijk. Wie weet kom ik haar ooit nog tegen met een dikke buik in het winkelcentrum. Maar niet meer op mijn galerij.

De flatkat is dood. De flatkat woonde op de zesde en dat wist iedereen. Als je thuiskwam en de flatkat zat voor de lift, dan drukte je eerst op 6 om de flatkat naar haar verdieping te brengen en dan ging je terug naar je eigen verdieping. Maar meestal zat de flatkat buiten voor de hoofdingang gewoon lekker een beetje te hang-oudere-katten. Maar als ik nu thuis kom, zit er geen flatkat meer.

De langste bewoonster van de flat verandert voorlopig niet. Ruim in de tachtig. Fier, trots, stoer. Die wast haar auto nog zelf en groet. Ze is de Madre van de flat. Alleen de hond van haar zoon is dood dus heeft ze geen hond meer om uit te laten. En dan loopt ze de flat uit en zegt ze “nou, dan laat ik mezelf maar uit!”, met haar zware stem en ferme tred.

De klusjesman van de flat met zijn herkenbare bus, de Spaanse dame die op Fletcher paste….dingen lopen zoals ze lopen en ik heb minder contact met ze dan toen ik hier kwam. Jammer, gewoon niet expres, maar zo loopt het.

Mijn bizar hard hoestende onderbuurvrouw blijft onveranderd. Mijn dementerende buurman blijft gestaag dementeren en zijn bejaarde echtgenote blijft gestaag meer doen voor hem. Er komt een binnenkort dat ook hij weg zal zijn uit de flat.

Mijn liefste Dinnetje blijft dat en woont godzijdank ook nog hier.

Ik ben niet meer vers gescheiden, ik ben inmiddels een co-ouderende moeder van, en een lattende vriendin van. En ik ben mezelf. Blij in mijn flat en ik heb gewoon moeite met het feit dat dingen die ik fijn vind veranderen. Nu al. Kan je nagaan hoe ik zal zijn als ik bejaard ben. Word ik een onsympathieke dame waar mannen ooit naar floten, of word ik de Madre van de flat die in haar tachtiger jaren gaat hardlopen met de woorden “dan laat ik mezelf wel uit?

Ontdekken en groeien

Ik geloof dat ik nu weet wat licht autistisch is. Licht autistisch is volgens mij dat de omgeving het licht merkt, er licht last van heeft en het licht opneemt.

Ik weet nu wat autistisch werkelijk ís. Ik wist wat de verschijnselen waren, ik wist wanneer je iemand al dan niet onterecht mocht uitschelden (al dan niet liefkozend) voor autist, en ik wist autistisch gedrag te herkennen. Maar daarmee wist ik niet wat autistisme nou precies ís. Dat is heel wat anders.

Nu wel. En autisme is er altijd, de hele tijd, constant. Met alles. De hele dag door. Niet alleen op het moment van overprikkeld zijn, niet alleen op het moment dat de buitenwereld een moment heeft dat het denkt “ja, er is toch wel iets anders aan hem of haar, ja.” Nee. Het is er ook op het moment dat hij of zij gewoon net als de rest lijkt te zijn.

Ook dan verwerkt de autist werkelijk alle signalen die binnenkomen autistisch. Ogenschijnlijk volkomen functionerend als een niet-autist.

En dat kan een slimme autist -die geen andere mentale “gebreken” heeft- heel goed. Heeft het gemasterd. Maar het kost de autist ongelofelijk veel energie.  Energieverbruik die de buitenwereld niet ziet. En het licht opneemt, dat lichte autisme. “Je merkt (bijna) niks aan hem”, denkt de buitenwereld. En ze zeggen het zelfs.

Maar als je weet wat autisme is, de oorzaak snapt achter de signalen, dan merk je het aan alles en herken je het in alles. En dan herken je het ook bij het normale gedrag. En dan neem je het totaal niet meer licht op.

Next step: opvoeden en moederen op de manier die goed is voor de “lichte autist”. Licht autistisch? Laat me niet lachen. Mooi autistisch, dat wel. Altijd. Constant, de hele dag door.

We doen allemaal maar wat

Ik heb de neiging te denken dat ik de enige ben die twijfelt over juiste beslissingen en die zich sociaal onhandig voelt en die altijd denkt dat de héle wereld om zich heen volwassen is en ik…maar wat doe.

Vanmorgen moest ik tanken met de scoot voordat ik naar werk kon Hollederen. (Dat is een werkwoord, ja.) Ik kom bij die pomp, trek mijn pas eruit en lees “pomp is beschikbaar”. Ik steek dat ding die in die scoot, ik knijp…niks.

Werkelijk, het eerste wat ik doe is kijken via de pinautomaat, naar het benzinedisplay, naar het vulpistool (ja, dat woord moest ik opzoeken ja) om te kijken wat ík nou fout deed. Ik doe namelijk maar wat. Ik kan niks vinden en vraag dan pas mijn buurman aan de pomp naast me of het hem lukt. Nee dus. En die daarnaast ook niet en die daarnaast ook niet.

Ik ga wel naar die pomp een stukje terug, zegt mijn buurman.
Nee joh, veel te duur, je moet naar die in dat industrieterreintje hier verderop, scheelt wel 10 cent de liter, zegt de man ernaast.
Waar is dat, vraag ik.
Hij begint uit te leggen maar zegt al snel “rij maar achter me aan”. En ik voel me dus weer zo onhandig dat ik zijn aanwijzingen niet snap. Ik doe maar wat.

We rijden het pompstation af en ik rij achter hem aan naar het stoplicht. Volkomen illegaal, want hier moet ik met mijn scoot op het fietspad Hollederen. We staan bij het stoplicht en ik zie zijn benzineklepje open staan. Ik stap af en klap hem dicht. Hij lacht in de buitenspiegel naar me en ik lach terug. Ik meen nog te zien dat zijn benzinedop er niet op zit, maar dat kan toch niet zo zijn? Ik schuif de gedachte weg want iedereen is volwassen en ik doe maar wat.

De man stapt ineens uit en klapt dat klepje weer open en kijkt.
IK BEN MIJN BENZINEDOP VERGETEN!, roept hij. Hij twijfelt en kijkt naar pomp en naar het rode stoplicht en naar mij en weer naar de pomp.
Ik haal hem zometeen wel, zegt hij, terwijl hij weer wil instappen. En dan stapt hij, half ingestapt nog maar, weer uit. Hij realiseerde zich dat met een volle tank zonder tankdop terugrijden geen goed idee is. Maar hij staat voor een stoplicht en iedereen gaat zo rijden en dan? Hij kijkt weer naar het rode licht en dan naar de pomp.
Ik ga hem halen!, roept hij en sprint richting pomp. De auto’s die van achteren komen bonjour ik om mijn scoot en zijn auto heen, het is gelukkig niet druk.

De man is al vrij snel weer terug en draait de dop erop en klimt zijn auto weer in. Wat een begin van de maandag, zegt hij lachend. Zijn deur stond zelfs nog open.

Ik rij achter hem aan naar de pomp die hij bedoelde en realiseer me dat hij een heel slimme korte route heeft naar dat industrieterreintje dat hij bedoelde. Zo slim zou ik nooit gereden zijn. Maar ik aan de andere kant was ik mijn benzinedop weer niet vergeten.

Ik rij achter hem aan en bedenk me voor de zoveelste keer: we doen allemaal maar wat…