Van oude besjes en de dingen die voorbij gaan

Ik woon nu 20 maanden in mijn flat en het verandert, het wonen hier. Er is al veel veranderd en ik voel nu dat hoe het hier was, deel was van mijn aarden en landen hier. En met alles wat verandert moet ik afscheid nemen van datgene waardoor ik mede van deze flat ging houden. En dat maakt me nostalgisch.

De buurvrouw die me verwelkomde met de woorden dat ze zes jaar ervoor had gedaan wat ik had gedaan en hier zo zielsgodsgelukkig was met haar drie kinderen is inmiddels overleden. Daar woont nu een koppeltje dat niet groet. Voor het eerst bewoners in de flat die niet groeten.

De onsympathieke sophisticated vrouw die in haar tijd erg mooi geweest moet zijn, is nu zo slecht ter been dat ze de trap echt niet meer kan nemen. Ik zie haar nooit meer in haar schitterende bordeaux rode robe de trap af gaan, de leuning met twee handen vasthoudend. Ze is nu zo slecht ter been dat ik haar laatst moest helpen met haar extra tas, zo slecht ter been dat ik de tas tot in haar appartement moest brengen en dat ze me bedankte. Zo oud, dat ze niet eens meer onsympathiek kan doen. Dat kan ze zich niet meer veroorloven. Ze stelde zich weer voor en vroeg wie ik was, voor de ughste keer. Dat verandert dan weer niet.

De buurvrouw die na een breuk zo ineens heel slecht ter been was zie ik niet meer, al een poosje niet. Ik zie wel twee bordjes VERKOCHT. Eentje nog onder voorbehoud. Alle oude besjes gaan dood en dan verkopen ze de oeroude huurwoning aan een gescheiden vrouw of aan koppeltjes die niet groeten.

Alle eerste huisjes op de gallerijen zijn piep kleine 2-kamer appartementjes, en het stel op mijn etage is deze maand verhuisd. Zo’n ontzettend lief heel jong stel. Die groetten wel. Maar ze hebben een huisje gekocht, geef ze eens ongelijk. Wie weet kom ik haar ooit nog tegen met een dikke buik in het winkelcentrum. Maar niet meer op mijn galerij.

De flatkat is dood. De flatkat woonde op de zesde en dat wist iedereen. Als je thuiskwam en de flatkat zat voor de lift, dan drukte je eerst op 6 om de flatkat naar haar verdieping te brengen en dan ging je terug naar je eigen verdieping. Maar meestal zat de flatkat buiten voor de hoofdingang gewoon lekker een beetje te hang-oudere-katten. Maar als ik nu thuis kom, zit er geen flatkat meer.

De langste bewoonster van de flat verandert voorlopig niet. Ruim in de tachtig. Fier, trots, stoer. Die wast haar auto nog zelf en groet. Ze is de Madre van de flat. Alleen de hond van haar zoon is dood dus heeft ze geen hond meer om uit te laten. En dan loopt ze de flat uit en zegt ze “nou, dan laat ik mezelf maar uit!”, met haar zware stem en ferme tred.

De klusjesman van de flat met zijn herkenbare bus, de Spaanse dame die op Fletcher paste….dingen lopen zoals ze lopen en ik heb minder contact met ze dan toen ik hier kwam. Jammer, gewoon niet expres, maar zo loopt het.

Mijn bizar hard hoestende onderbuurvrouw blijft onveranderd. Mijn dementerende buurman blijft gestaag dementeren en zijn bejaarde echtgenote blijft gestaag meer doen voor hem. Er komt een binnenkort dat ook hij weg zal zijn uit de flat.

Mijn liefste Dinnetje blijft dat en woont godzijdank ook nog hier.

Ik ben niet meer vers gescheiden, ik ben inmiddels een co-ouderende moeder van, en een lattende vriendin van. En ik ben mezelf. Blij in mijn flat en ik heb gewoon moeite met het feit dat dingen die ik fijn vind veranderen. Nu al. Kan je nagaan hoe ik zal zijn als ik bejaard ben. Word ik een onsympathieke dame waar mannen ooit naar floten, of word ik de Madre van de flat die in haar tachtiger jaren gaat hardlopen met de woorden “dan laat ik mezelf wel uit?

Advertenties

Ontdekken en groeien

Ik geloof dat ik nu weet wat licht autistisch is. Licht autistisch is volgens mij dat de omgeving het licht merkt, er licht last van heeft en het licht opneemt.

Ik weet nu wat autistisch werkelijk ís. Ik wist wat de verschijnselen waren, ik wist wanneer je iemand al dan niet onterecht mocht uitschelden (al dan niet liefkozend) voor autist, en ik wist autistisch gedrag te herkennen. Maar daarmee wist ik niet wat autistisme nou precies ís. Dat is heel wat anders.

Nu wel. En autisme is er altijd, de hele tijd, constant. Met alles. De hele dag door. Niet alleen op het moment van overprikkeld zijn, niet alleen op het moment dat de buitenwereld een moment heeft dat het denkt “ja, er is toch wel iets anders aan hem of haar, ja.” Nee. Het is er ook op het moment dat hij of zij gewoon net als de rest lijkt te zijn.

Ook dan verwerkt de autist werkelijk alle signalen die binnenkomen autistisch. Ogenschijnlijk volkomen functionerend als een niet-autist.

En dat kan een slimme autist -die geen andere mentale “gebreken” heeft- heel goed. Heeft het gemasterd. Maar het kost de autist ongelofelijk veel energie.  Energieverbruik die de buitenwereld niet ziet. En het licht opneemt, dat lichte autisme. “Je merkt (bijna) niks aan hem”, denkt de buitenwereld. En ze zeggen het zelfs.

Maar als je weet wat autisme is, de oorzaak snapt achter de signalen, dan merk je het aan alles en herken je het in alles. En dan herken je het ook bij het normale gedrag. En dan neem je het totaal niet meer licht op.

Next step: opvoeden en moederen op de manier die goed is voor de “lichte autist”. Licht autistisch? Laat me niet lachen. Mooi autistisch, dat wel. Altijd. Constant, de hele dag door.

We doen allemaal maar wat

Ik heb de neiging te denken dat ik de enige ben die twijfelt over juiste beslissingen en die zich sociaal onhandig voelt en die altijd denkt dat de héle wereld om zich heen volwassen is en ik…maar wat doe.

Vanmorgen moest ik tanken met de scoot voordat ik naar werk kon Hollederen. (Dat is een werkwoord, ja.) Ik kom bij die pomp, trek mijn pas eruit en lees “pomp is beschikbaar”. Ik steek dat ding die in die scoot, ik knijp…niks.

Werkelijk, het eerste wat ik doe is kijken via de pinautomaat, naar het benzinedisplay, naar het vulpistool (ja, dat woord moest ik opzoeken ja) om te kijken wat ík nou fout deed. Ik doe namelijk maar wat. Ik kan niks vinden en vraag dan pas mijn buurman aan de pomp naast me of het hem lukt. Nee dus. En die daarnaast ook niet en die daarnaast ook niet.

Ik ga wel naar die pomp een stukje terug, zegt mijn buurman.
Nee joh, veel te duur, je moet naar die in dat industrieterreintje hier verderop, scheelt wel 10 cent de liter, zegt de man ernaast.
Waar is dat, vraag ik.
Hij begint uit te leggen maar zegt al snel “rij maar achter me aan”. En ik voel me dus weer zo onhandig dat ik zijn aanwijzingen niet snap. Ik doe maar wat.

We rijden het pompstation af en ik rij achter hem aan naar het stoplicht. Volkomen illegaal, want hier moet ik met mijn scoot op het fietspad Hollederen. We staan bij het stoplicht en ik zie zijn benzineklepje open staan. Ik stap af en klap hem dicht. Hij lacht in de buitenspiegel naar me en ik lach terug. Ik meen nog te zien dat zijn benzinedop er niet op zit, maar dat kan toch niet zo zijn? Ik schuif de gedachte weg want iedereen is volwassen en ik doe maar wat.

De man stapt ineens uit en klapt dat klepje weer open en kijkt.
IK BEN MIJN BENZINEDOP VERGETEN!, roept hij. Hij twijfelt en kijkt naar pomp en naar het rode stoplicht en naar mij en weer naar de pomp.
Ik haal hem zometeen wel, zegt hij, terwijl hij weer wil instappen. En dan stapt hij, half ingestapt nog maar, weer uit. Hij realiseerde zich dat met een volle tank zonder tankdop terugrijden geen goed idee is. Maar hij staat voor een stoplicht en iedereen gaat zo rijden en dan? Hij kijkt weer naar het rode licht en dan naar de pomp.
Ik ga hem halen!, roept hij en sprint richting pomp. De auto’s die van achteren komen bonjour ik om mijn scoot en zijn auto heen, het is gelukkig niet druk.

De man is al vrij snel weer terug en draait de dop erop en klimt zijn auto weer in. Wat een begin van de maandag, zegt hij lachend. Zijn deur stond zelfs nog open.

Ik rij achter hem aan naar de pomp die hij bedoelde en realiseer me dat hij een heel slimme korte route heeft naar dat industrieterreintje dat hij bedoelde. Zo slim zou ik nooit gereden zijn. Maar ik aan de andere kant was ik mijn benzinedop weer niet vergeten.

Ik rij achter hem aan en bedenk me voor de zoveelste keer: we doen allemaal maar wat…

 

Gênant

Ik wilde deze blog starten met de woorden dat lichamelijke gebreken gênant kunnen zijn. Maar terwijl het logje zich vormde in mijn hoofd, moest ik mezelf al snel corrigeren. De maatschappij, wij, de mensen om ons heen, die maken sommige lichamelijke gebreken gênant.

Mensen die “raar” mank lopen (“Kijk? Hij heeft een steentje in zijn schoen, hahahaha!”) Het doorlekken als je ongesteld bent en met een rode plek in je broek rondlopen. Die kennis van me die met een zware blaasontsteking richting nierbekkenontsteking de eerste hulp niet op tijd haalde in het buitenland en op straat in zijn broek plaste. Bijna elke vrouw die na zoveel bevallingen niet meer kan niesen zonder haar benen te kruisen. Ik, die na drie bevallingen dus echt niet meer kan trampolinespringen. Ik heb een dame op mijn Facebook en op twitter die openlijk over haar stoma praat. Zeldzaam dapper. En dat je dat “zeldzaam dapper” noemt is gek en typerend voor wat ik bedoel. En zelfs iets simpels als een koortslip is gênant. Zeker op een eerste date. Correctie: ervaar je als gênant.

Niet iedereen doet het, niet iedereen doet eraan mee, maar per saldo maakt “men” een lichamelijk gebrek gênant. Eigenlijk een heel nare eigenschap van “ons”. Want alle lichamelijke gebreken zijn voor de eigenaar van het gebrek al naar genoeg zonder ook nog de gêne te moeten ervaren van lachende of afkeurende blikken. En ik denk dat “we” het doen omdat we bang zijn voor lichamelijke gebreken. Omdat we namelijk als de dood zijn dat we het zelf zouden hebben. Zelfs zoiets simpels als een koortslip tijdens een sollicitatiegesprek. Tot en met de gedachte “het zal je kind maar zijn”, bij de vieze blik naar een spastisch zwaar gehandicapt kind. Angst.

Enfin. Dat dus. Een van mijn kinderen heeft last van obstipatie. Altijd serieus, maar soms ernstig. En dat komt met voor het kind nare verschijnselen waar ik niet allemaal in detail op in ga, maar de term overloop d.iaree is er een van en verstopping van het toilet is een ander voorbeeld. Verzin de rest er maar bij. Het is fysiek lastig en pijnlijk en naar. Iets wat de meest natuurlijke dagelijkse bezigheid zou moeten zijn en zelfs een heerlijk opgelucht gevoel kan geven is dat voor dat kind niet. Het is een bron van pijn….en het is opgelegd gênant. En het is een bron van dagelijkse zorgen. Als naar het toilet een bron van zorgen is, kan je het niet overal. En wordt het “een ding”.  In de luizenzak op school, in de tas mee voor onderweg (denk schoolreis, denk logeren) zit/zat standaard een gesloten plastic zakje met vochtige toiletdoekjes, een of twee verschoningen en extra luchtdichte zakjes. Je wilt namelijk niet te boek staan als het kind dat…..Dat weten ze na 20 jaar nog. Dan loop je jaren later als volwassene rond in het winkelcentrum en dan zie je die vent of vrouw bij wie je in de klas zat vroeger en dan denk je “oh ja, dat was dat kind dat…..”

Hoe fijn mijn nieuwe huisje ook is, de toiletpot waar het mee kwam is dat niet. Zo’n ouderwetse met een plateautje. Vreselijk. Ik heb drie zonen, u snapt sowieso mijn ergernis, maar voor dat ene kind is die pot daarnaast een werkelijke crime. Richting afvoer zitten zoveel smalle bochten meer dan een diepspoeler heeft, dat je het probleem kan uittekenen. Maar niet elke diepspoeler is even breed en sommigen hebben ook akelig nauwe bochten. (Ik heb me erin verdiept.)

Ik kon via mijn lieve vriendje ergens een wc-pot bestellen met zijn werkkorting, maar in de brochure kon ik de binnenkanten van al die potten niet goed bekijken. En dan kan ik gewoon geen goede keuze maken. Ik had er eentje uitgezocht die aan de buitenkant heel mooi en gaaf is (ja, zelfs in mijn toilet wil ik mijn huisje fijn en mooi hebben!), maar ik had geen beeld van het binnenwerk. Maar mijn lieve vriendje zou bij de groothandel gaan kijken om een brochure voor me te halen.

En toen kwam hij terug met de boodschap dat hij een showmodel gaat meenemen. Het kostte even wat overredingskracht, maar hij legde de toko daar zonder gêne uit waarom hij het wilde, en toen gingen ze akkoord. Morgen mag (ik) mijn kind zelf de pot gaan bekijken en beoordelen of daarmee zijn dagelijkse bron van zorgen een stukje lichter kan worden. En daarmee ook die van de moeder. Ja, zo lief is dat vriendje van mij.

(Disclaimer: deze blog is bij uitstek niet bedoeld om te reageren met lief of goed bedoelde adviezen en tips over de kwaal zelf, over hoe te verhelpen, of te verminderen. Trust me, we are and have been on it.)

Thuiskomen

We zijn thuisgekomen.

Ja, figuurlijk dan. Thuisgekomen ben ik ook op 6 december 2016 toen ik, nadat ik mijn handtekening had gezet onder het koopcontract, de zojuist overhandigde sleutel omdraaide in de voordeur en naar binnenliep. In dit huis. Dit thuis waar ik dit nu type. Maar vandaag kwamen we ook thuis. En geen draad minder belangrijk dan dat ene moment.

Op weg naar het schrijven van dit logje scande ik mijn blog. Dat ik overigens een pietske heb verwaarloosd en waarvan ik overweeg het weer op te poetsen tot het glimt in plaats van alleen maar het stof eraf te blazen zo af en toe. Maar dat terzijde.

Enfin, ik scande mijn blog. En er alleen al diagonaal doorheen lezend vloog de ongerustheid voor Wijzemans me naar de keel. Doorspekt ermee, is het. Doorspekt was mijn leven ermee. Maar vandaag kwamen we thuis.

Toen ze het op de crèche zeiden, dacht ik verongelijkt, “wat weten jullie er nou van”, jullie zijn maar een stelletje crècheleidsters. We hebben het hier over mijn kind en die ken ík toevallig beter.” Toen ze het op de crèche zeiden klonk het als afserveren, als afdoen met het grote stempel “niet geschikt”. En eerlijk? Zo dachten die crècheleidsters er nog echt over ook. En ik ontkende wat ze zeiden vanwege de negatieve connotatie die ze eraan gaven.

Tegen de tijd dat ik het zelf in de gaten had en ermee kon lezen en schrijven maakte het niet meer uit. En had ik geen behoefde aan een diagnose (“label”) omdat het gewoon een integraal onderdeel is van mijn kind. Niet iets dat hij heeft, maar iets dat een deel is van hoe Wijzemans is en aangezien hij perfect is, is dit onderdeel dat ook. Net als zijn blauwe ogen.

Maar ergens zat het niet goed. Hij was en bleef toch altijd de jongen met het wolkje boven zijn hoofd. Ik kon het wel okay vinden, elk integraal onderdeel van hem, maar pas nu weet ik dat bij hem de schoen wel wrong (wringde?)…iets klopte niet. En het werd niet benoemd.

Toen hij door het ijs zakte en ik ingreep, was het duidelijk dat we toen wel wat moesten. Het devies was eerst “het woord” bij hem weghouden. Op aanraden van professionals dan hè, juist vanwege de negatieve connotatie en zijn enorm fragile toestand, omdat hij nog verder weg zou kunnen zakken. Maar toen we serieus het pad opgingen en we intakes moesten gaan doen, bleek het kind zelf te moeten medetekenen. Hij is 12. Dus toen heb ik het hem zo het goed en zo kwaad als ik kon, zo voorzichtig als ik het in me had, uitgelegd.

Dat ik weet dat hij beter naar me kan luisteren als hij me juist niet hoeft aan te kijken. Dat “kijk me aan als ik tegen je praat” funest is. En als de kamer vol visite zit en hij weg wil naar zijn kamer, dat dat in zijn geval niet onbeleefd is, maar overleven. Dat verplichten te blijven letterlijk hem martelen zou zijn, niets minder. Dat hij alles observeert met al zijn zintuigen zonder filter en zonder scheiding van hoofd- en bijzaken. En dat hij daarbij is als een whiteboard zonder wisser. (Die beeldspraak van geen wisser heb ik van een lieve collega en sloeg bij mij in als een bom.)

Dat ik dat allemaal weet, maar ook een heleboel niet. Dat ik niet de fout maak dat hij me aan moet kijken, maar misschien wel andere die net zo groot en pijnlijk zijn voor hem. En dat we daar achter moeten komen. En hij ook. Om zichzelf te leren kennen. En ja, daar hangt het labeltje autisme aan vast.

Ik keek hem angstig aan om te kijken hoe de boodschap landde. En toen? Holy crap. De jongen was blij. Opgelucht, blij. De grote roze olifant was eindelijk aangewezen. Serieus genomen. En “geef me de vijf” (waar wie wat hoe wanneer), (ik wist niet dat ik de methode al intuïtief hanteerde zonder van het bestaan te weten, ik had toch gezegd dat ik met het kind kon lezen en schrijven, ik heb het alleen naar hem stom genoeg nooit benoemd, maar dat terzijde) toen ik hem uitlegde dat we naar het Centrum voor Autisme zouden gaan, via een wachtlijst tot minimaal mei maar zelfs in het ergste geval de grote vakantie, en dat we na een intakegesprek handvatten zouden gaan krijgen hoe we zorgen dat hij met het leven en de wereld kan dealen en vise versa op vlakken waar dat nu spaak loopt, was hij nieuwsgierig en eager as hell.

Jippie, ik kan het nog, onmogelijk lange zinnen zonder mijn punt te verliezen. Aktiepunt “Blog oppoetsen” staat weer ietsje hoger op mijn prio-lijstje. Maar dat terzijde.

Vandaag hadden we de intake. En mogen we het onderzoek skippen. Zonder onderzoek nemen ze na een simpel intake gesprek met hem en met mij de diagnose officieel over. Blijkbaar kan je ook voor deze test falen en moet je toch nog een onderzoek ondergaan, ik weet zeker dat mijn Wijzemans dat moet hebben gedacht. Ocharme. Het onderzoek gaan ze natuurlijk toch doen want we willen Wijzemans in beeld, niet simpelweg een parapluterm als label op zijn voorhoofd.

Toen we achteraf naar de auto liepen op weg naar een frietje bij de Mac bespraken we hoe fijn het was. “Jezus man, dat van die kapper hè, dat je dat zo haat, dat hoort er ook gewoon bij he?”. “Ja!”, riep hij blij volmondig. “Dat wist ik dus echt niet he?”, zei ik. Nou, en toen glimlachte hij zijn tevreden wetende glimlach. Als hij zo glimlacht zit het goed. Mensen die hem echt kennen kunnen hem met deze glimlach uittekenen.

Mag Wijzemans jullie iets leren? Op de vraag hoe het is om de middelste te zijn, zei hij: “Best heel moeilijk en dubbel. Want je bent niet de baas maar je bent ook niet de kleinste en dat is best veel werk.” Mijn God wat houd ik van mijn perfecte middelste en wat ben ik onwaarschijnlijk trots op hem.

Taking the credits – finally

Mijn kanker en mijn auto ongeluk heb ik full monty online beleefd en gedeeld en ervaren. Dat hele online gebeuren was namelijk ook een beetje een reddingsboei. Hysterische tweets als je in de wachtkamer zit van de radiologie. Bloggen om van je af te schrijven. Dat, en…de aandacht deed me goed. Een welgemeend “sterkte” van een wildvreemde telt ook als je sterkte nodig hebt. En ook al is het niet welgemeend: “sterkte” van een ramptoerist helpt ook als je het niet identificeert als ramptoerisme omdat je in standje overleven staat.

Life is never boring als je Repel heet, dus scheiden en een kind dat spreekwoordelijk verzuipt, doe ik er ook nog wel even bij. Binnen 5 jaar kanker, auto ongeluk, scheiden, kind door het ijs. “Doe ik er ook nog wel even bij.” En ik meen het zo cynisch als dat. Maar die twee laatste zaken kon ik niet online beleven en delen en ervaren. Geen hysterische tweets, geen aandachttrekkerij, hoezeer ik het ook nodig had.

Geen blogs over de achtbaan die het is. Geen virtuele steun. Wel verguisd, dat dan weer wel en die was ik niet gewend. Kanker ondergaan is heroïsch. Vindt men. Leren lopen opnieuw ook. Vindt men. Kiezen voor een echtscheiding echter, maakt je kakkerlakken-blik waardig. Niet voor degenen die ertoe doen, uiteraard niet, maar soms moet je ook ontdekken dat sommigen er inderdaad ook niet toe blijken te doen, helaas. Een echtscheiding op jouw initiatief is de beste manier om je vrienden te leren kennen. En je familie, for that matter. En ik meen het zo cynisch als dat.

En een kind met problemen maakt je slachtoffer van alle meningen die het beter weten dan jij. Een kind met problemen is ook niet sexy. Tenzij het kanker heeft. Sorry, ik meen het zo cynisch als dat.

Anyway. Dit is een samenvatting van alle hysterische tweets en van-me-af-schrijven-blogs die ik had kunnen plaatsen en niet heb gedaan in het belang van. Ja, van wie eigenlijk. Ja, dat weet ik wel, maar niet mijn eigen belang, die stond niet voorop. En daarom deed ik het (niet). En nog steeds ben ik daar trots op.

We zijn verder. Ik heb jassen van schuld afgegooid, jassen van schuld genomen en verwerkt, en ik ben klaar. Ik heb alle schulden, terecht of onterecht, fysiek en geweten, afgelost.

Picture it. Leiderdorp, 16:50, de telefoon gaat.
Het is Schoolmaatschappelijk werk.
Hoe het gaat (ze heeft de afgelopen periode elke zoveel weken gebeld).
We staan op de wachtlijst bij de juiste instantie en de ambulante educatieve dienst (AED) zit er al op en het kind heeft een klik van jewelste met haar, en….de dame (die van de maatschappelijk werk, niet van de AED) gaf aan dat haar taak erop zit. Dat gaf ze de vorige keer ook al aan, maar ze bleef het even volgen.
De mentor, schoolmaatschappelijk werk, de AED, de zorg-coordinator, allemaal zitten ze vol op een lijn voor mijn kind. Ik weet dat ik het label nodig had om dit voor elkaar te krijgen, maar ik weet ook dat ik alleen daarvoor het label nodig had. Om dit voor elkaar te krijgen.

Ik bedankte haar voor haar hulp. Ik trof haar toen alles een blinde chaos was en nog niet eens het begin van een dolhof. Nu hebben we een pad. En toen zei ze (en ik ga hem gewoon keihard online kwakken, omdat deze net zo’n grote prestatie is als weer leren lopen (en kanker ondergaan is sowieso geen prestatie)):

Ja maar jij hebt aan de bel getrokken, jij hebt gesignaleerd en je hebt actie ondernomen (en ze stopte niet he, ze ging gewoon door). Jij hebt de samenwerking gezocht met alle partijen, met school met anderen en jij hebt partijen verbonden tot samenwerking. Jij hebt dit voor elkaar gekregen. Je bent niet gestopt. Maar wel met samenwerking, dat is heel knap. Dit heb jij voor elkaar gekregen.

Ik lieg geen woord. Dit zei ze. Vond ik ook best ongemakkelijk, maar deze keer wuifde ik het niet weg.

Ik ben gaan zitten op bed en ik heb het tot me genomen. Geen ramptoeristische “goed gedaan” kan hier overheen, ook geen likes. Deze heb ik wel vol genomen. Ik heb mijn kind gered. Letterlijk.

Hij pakte ooit een mes uit de vaatwasser aan de lemmet-kant en toen viel hij flauw van het aanzien van het bloed. Hij zou met zijn hoofd op de punt van de vaatwasser zijn gevallen. Ik greep hem toen bij zijn pols, en boeien het bijkomende letsel, ik greep hem en rukte hem omhoog, net op tijd. En dat ik exact wat ik nu heb gedaan. Ik greep hem toen hij mentaal het mes bij het lemmet greep en flauwviel. En het lukte.

 

Ongesteld!

Ik heb me er ooit eerder over verbaasd, lees: kwaad over gemaakt, in een logje. De schaduwwereld waarin wij vrouwen bewegen als we ongesteld zijn. Het geniepige gesleep met tampons in binnenzakjes naar het toilet. Ik bedoel: hoeveel van ons roepen normaliter best wel gewoon vlak voor een vergadering “sorry, ik moet nog even snel naar het toilet” als we moeten plassen en hoeveel van ons roepen naar waarheid tijdens een vergadering als het een keer voorkomt “oh shit, ik moet nu eerst even snel een tampon verwisselen!”

Ik chargeer. Natuurlijk chargeer ik, maar ik heb de toon gezet. Want ik meen het wel.

Stel dat een meisje voor het eerst ongesteld (het woord eigenlijk alleen al, maar okay) wordt op haar twaalfde en stel dat ze stopt met de maandelijkse hel van menstrueren na de bonus-hel die bevallen heet (daar mag dan gek genoeg sociaal wel uitgebreid over gepraat worden inclusief het bloed want dat vind iedereen wel zielig) en de bonus-hel van opvliegers en nightsweats (oeps, zette ik nu semi-per ongeluk nu weer een toon? Want symptomatisch over de overgang praten is geloof ik ook totaal not done laat staan sexy noch blog onderwerp?) op haar drieënvijftigste.

(Ik geef iedereen even de tijd om hoofd- en bijzaken te scheiden maar volgens mij klopt het taaltechnisch allemaal ook nog min of meer okay hoe het er geschreven staat, los van de punten die ik probeerde te maken.)

Okay. Are we all on the same page? Right, here we go.

Dan is een willekeurige vrouw dus 41 jaar lang ongesteld. Keer 12 is 492 keer ongesteld. (Een zwangerschap moet je aftrekken voor 9 maanden, maar die verdisconteer ik voor de bloedingen achteraf die maandverband-technisch post-nataal uitmiddelen. Zwangerschappen middelen uit. Aanname, mensen, aanname.)

492 keer ongesteld maal, zeg, 20 tampons per keer (dan wel maandverbandjes) is 9840 tampons-slash-maandverbandjes in ons leven en we schamen ons voor each and every single one!

Dit is een heel lange aanloop naar mijn dag van gisteren.

Ik moest een presentatie geven. Doe ik heel vaak, draai ik mijn hand niet voor om. Dus je kent je publiek van die dag en je weet welke indruk je wilt wekken en met welke nadrukken. En je weet met je ervaring dus ook dat je het in een bepaalde setting (zoals gisteren) kan maken als alles is opgezet: “Jongens, ik moet echt eerst even naar het toilet anders kan ik het uur niet vol kletsen, sorry!” En dat je kan weglopen met de openingsslide op de beamer.

Op het toilet zie je vervolgens dat je ongesteld bent geworden. Nu net. Knallend. En dan kan niks meer. Want je hebt niks bij je. Je handtasje ligt naast de beamer.

Je kan niet teruglopen de zaal in: “Sorry, sorry, even een tampon pakken, sorry!” Toch? Welke vrouw is daar ooit mee weggekomen? Ik ben fucking 47 en kan er niet mee wegkomen in geen enkel gezelschap!

9840 keer in je leven kan je er niet mee wegkomen. Met een beetje geluk durf je het thuis of tegen je kamergenoot op werk, maar we leven gek genoeg in een wereld dat we het niet durven in het gros van de 9840 gevallen.

Ik heb mijn presentatie afgedraaid met een halve WC-rol in mijn onderbroek. En ik weet oprecht niet of ik daar nu trots op moet zijn of dat ik me kapot moet schamen dat ik niet op kwam voor mezelf, voor de 9840’ste keer.

 

My Piano Man

A little story with the title: “A little pool of melted Wendy, episode number 213.567.843 (and counting): The one where she just came back from Germany”
Picture it, Leiderdorp, 2 december 2017, late morning. Oldest son calling. “Mamacito, Nina and I will be arriving shortly.”
I am a mamacito, which I think is about the highest honour I can receive as the mother of an eldest son who has already got one foot out of the door partly because of his deep love for Nina.
Picture it, Leiderdorp, 2 december 2017, lunchtime. Standing alongside the soccer field watching your youngest. Hearing some fathers and mothers of the other team talking amongst each other: “They do have a very good goalkeeper though.”
And that that goalkeeper happens to be your son. Wow.
Seeing my old father, his old grandfather, enduring the cold as an elderly to watch his grandson playing soccer each and every week no matter what, was priceless.
Picture it, Leiderdorp, 2 december 2017, dinner time. The youngest son prepares the chicken tandoori meal alone, all by himself. I am just there to be close to him. Keeping him company. He kooks for us because he enjoys that immensely. Being only 10 years old.
Picture it, Leiderdorp, 2 december 2017, after dinner. Just the three of us. Me, my middle and my youngest. We are looking up songs on YouTube to show each other our favorite songs. We didn’t even clear the table yet.
Picture it, Leiderdorp, 2 december 2017. Watching my amazing, beautiful, sometimes troubled, middle one singing each and every word to the following song. He’s in tune and on tone and his voice is beautiful. And I am moved to tears. This is his all time favorite as a 12 year old. No wonder his idiot math teacher doesn’t get him! But he is excused. Hardly anyone truly does get him.

….Clickable link you guys……

Mijmeren Repel Style

Gek werden we ervan, net zoals alle jonge ouders.
Kinderen die, zeg, half zes in de ochtend je slaapkamer inkomen: “Mag ik bij jullie liggen”? En dan heb je er drie en is je bed elke ochtend overvol en ben jezelf veel te moe elke dag en voor je het weet roep je nee als ze het vragen.

Dat was jaren en jaren geleden. De jongste is inmiddels ruim 10 en die tijden zijn lang vervlogen. De oudste van zowat 16 komt uiteraard al heel lang niet meer, maar die van 12 en 10 eigenlijk ook al heel lang niet meer, als ik er over nadenk.

En ik was het vergeten. Ik was vergeten hoe fijn het is om je kind ’s ochtends in je bed te hebben. De geur van slaap om ze heen. Met ijskoude voetjes (van toen nog maatje 23) tegen je buik en een tot op de draad versleten half afgelebberde knuffel in je gezicht. Ik miste het niet eens omdat ik het was vergeten. Het gevoel van moeder zijn van een klein kind zit niet meer in mijn systeem.

Vanmorgen riep mijn middelste om half zeven dat hij ging douchen. “Man, het is half zeven!” Hij sputterde tegen over te weinig tijd hebben en dat hij zijn tas nog moest inpakken. Het kind had blijkbaar stress. Ik overtuigde hem nog even te komen liggen. “Kom even lekker hier in bed liggen.” En hij deed het ook nog. En toen ineens uit het niets kwam de vraag: “mag ik een knuffel?”

Het was de beste tussen half zeven en zeven en het was de mooiste “ik heb een kind van me in bed ’s ochtends vroeg”. Want ik koesterde elke fractie van elke seconde. Het is niet perse, per definitie, de laatste keer geweest, maar wel misschien. En zo niet sowieso wel een van de laatsten. Ik was weer even een moeder van een klein kind en de hele wereld was veilig en overzichtelijk vanuit mijn bed. Met een kusje erop maak je alles in orde en alles komt goed.

Beste start van de dag ever.

Koningin Salomon. Zo voel ik me.

Nou. Daar zit ik dan. Hier alleen met Middelste. En ik probeer met mezelf in het reine te komen. Ik probeer mezelf te overtuigen dat ik een slechte beslissing heb moeten nemen om iets slechters te voorkomen.

Tot op de dag van vandaag snap ik niet wat mijn ouders bezielden destijds. Dat ze mijn zus en mij, twee kleine zusjes, uit elkaar trokken in de nasleep van hun vechtscheiding die na de uitspraak van de formele scheiding zelf nog 30 jaar virtueel “vrolijk” doorging. Ik snap niet waarom ze dat deden; mijn zusje en ik ook laten scheiden. Waarom dat nodig was. Zelfs met de kennis van nu begrijp ik dat nog steeds niet. Wat ik wel weet is dat het mijn zus en mij heel veel slechts heeft gebracht. Wat ik ook weet is dat mijn zus en ik werden verscheurd in loyaliteit naar beide ouders en dat wij de vechtscheiding van onze ouders dunnetjes als zusjes overdeden in een poging op te komen voor de ouder bij wie we woonden. Kleine kinderen die we waren.

En wat ik ook wist, toen ik dacht volwassen te worden, waren twee gouden regels. In beton gegoten, heiliger dan de stenen tafelen van Mozes. Twee basis-levens-principes die ik nooit, nóóit zou breken.

  1. Ik zou überhaupt nooit gaan scheiden, was het plan, maar als ik dat dan toch zou doen, dan zou ik er voor de kinderen nooit, nooit de vechtscheiding van maken die mijn ouders ervan hebben gemaakt. En ik zou mijn kinderen nooit bewust in een loyaliteitsspagaat trekken zoals mijn ouders dat hebben gedaan en ik zou nooit, nooit mijn kinderen opzadelen met grote-mensen-scheidings-problemen waar ze niks mee te maken hebben en waar ze niks mee kunnen en waar ze überhaupt nooit om hebben gevraagd. Er gaat een wereld van leed van jaren schuil achter deze paragraaf. Ongetwijfeld ook voor mijn ouders, maar zeker voor mijn zus en mij. Ongevraagde slachtoffers van een vechtscheiding.

Dat eerste is gelukt. Ik was verbeten. Maar net zoals dat je scheiden uiteindelijk onder de streep niet alleen doet (dat is onder de streep een proces van twee mensen), is “er geen vechtscheiding van maken” uiteindelijk onder de streep ook iets dat je gezamenlijk doet. Of niet doet, eigenlijk. Ik moet dus zeggen dat we zijn gescheiden en dat we er geen vechtscheiding van hebben gemaakt.

  1. Nummer twee was nog heiliger. Als je dan gaat scheiden, ga je nooit, nooit, nóóit, NOOIT, de kinderen uit elkaar halen.

Als ik twee dingen meen te weten, is dat mijn ouders heus verdriet moeten hebben gehad tijdens alles. Maar ik meen dus ook te weten dat het belang van mijn zus en mij niet perse voorop heeft gestaan in hun beslissing.

Ik weet een laatste ding zeker. Dit besluit hebben we genomen in het belang van Middelste en we menen zeker te weten dat dit goed is. Maar met de belofte dat als dit de oplossing niet blijkt te zijn (mijn God laat ons er niet naast zitten), we weer terug gaan naar het oude en op zoek gaan naar een betere oplossing. Je mag namelijk altijd terugkomen op een beslissing.