Dat dus.

Dat je de medische molen wordt ingezogen en dat je uit voorzorg 60% van je contacten delete.
Dat je dat op je gevoel doet, maar dat je ook weet dat je gevoel andere zaken aan haar hoofd heeft.
Dat je dus niet zeker weet of je het goed doet.

Dat je een logje dicht over Giraffe,
Dat je een berichtje krijgt vanuit de logcontacten.
Over een Giraffe die ligt te vegeteren in een kelder.

Dat Draakje aanhankelijker is dan normaal.
En het ontvangen pakje omhelst like there’s no tomorrow.

Dat je emotioneel bent.
Dat je bizar blij bent met het pakje.
Dat Draakje over the top blij is met het pakje.
Dat je je afvraagt of je iedereen wel had moeten deleten.
Dat je je afvraagt of je het gaat overleven.
Of je je jongens gaat zien opgroeien.

Dat dus.

 Image Hosted by ImageShack.us

Advertenties

Realisation kicking in

Ongelofelijk dat de slechte uitslag van de memmenpletter pas twee weken geleden was.
En dat ik het echt slechte nieuws pas acht dagen weet.
Feels like a lifetime ago.

In het begin was ik zuiver rationeel en feitelijk en handelend.
Okay, bring it on, hier ga ik mee dealen.
Laat mij een doener zijn.
Een waslijst aan afspraken en actielijstjes.
De medische molen is namelijk echt een malle molen.
Er komen dingen op je af waarvan je het bestaan niet weet.
Onderzoeken, apparaten…de hoeveelheid naalden, foto’s en echo’s is overweldigend.
Je wordt geleefd en daarop overleef je die eerste dagen van surrealiteit.

Maar toen werd ik ingehaald door mijn emoties.
En de Bevelvoerder ook.
En toen werden wij onderling ingehaald door emoties.
En toen ging het even niet goed.

Langzaamaan beginnen de feitelijke ik en de emotionele ik weer in elkaar te passen.
Heel langzaam beginnen mijn emoties in de pas te lopen met mijn rationele handelende ik.
Heel voorzichtig, dat wel.
Ik ben een dagboek begonnen om niks te vergeten.
Het aantal ziekenhuisbezoeken, het aantal afdelingen, het aantal adders onder het gras.
Helemaal echt met vulpen en zo, en ingeplakte plaatjes.

Ik ging vandaag voor een uitslag en een bezoek aan de anesthesist.
En het rare is dat het bezoek aan de anesthesist ingrijpender was, omdat dat bezoek maar liefst vier nieuwe afspraken opleverde.
Niet omdat er iets geks was, maar gewoon omdat het een medische molen is.

Ik liep het ziekenhuis uit nadat ik 20 minuten in de rij had gezeten bij de ziekenhuisapotheek.
Ik was bijna aan de beurt maar ik kon niet meer wachten, ik kon geen minuut langer meer daar zijn.
Ik moest weg. WEG.
Ik ga morgen wel weer, als mijn emoties het toestaan.

Ik liep ook het ziekenhuis uit met de eerste gunstige uitslag sinds iemand de molen aanzette met windkrachtje 11.
En ik wilde alleen maar naar huis, intiem zijn met mijn Daltons.
De mammacare verpleegkundige was helder: lichamelijk is de impact niet zo groot.
Ik begrijp het inmiddels volledig. Niet eens meer verstandelijk, maar ook emotioneel.

Thuisgekomen stond alles van antwoordapparaat tot post tot telefoon tot andere telefoon roodgloeiend.
Ik ga iets moeten verzinnen omtrent de informatievoorziening.
Ik ben nu al zo moe.
Belcirkel, anyone?
Of ik moet leren dat het me geen reet gaat interesseren als ik een keer geen antwoord geef?

La la la la Life Goes On -I-

Toen ik hem kocht voor Wijzemans in wording, destijds nog zo veilig in mijn buik, zag hij er ongeveer zo uit.

Image Hosted by ImageShack.us

Maar Wijzemans had niks met hem, nog met de replica’s die ik maakte op de muren van de kamer van de toenmalig kleinste in wording.
En ik had nog zo mij best gedaan!

Image Hosted by ImageShack.us

Maar “Lappie”, was meer zijn ding.
Onaangetast gingen Giraffe en kamer over naar Draakje in wording.

Giraffe en Draakje is een ander verhaal…

Anno 2012…onlosmakelijk is geloof ik het woord…
Image Hosted by ImageShack.us

Ik wil toch op Sylvie van der Vaart lijken

Ik stak mijn hoofd met gemengde gevoelens om de hoek van zijn kantoor.
Hopend hem te zien, behoefte hebbend aan zijn gezelschap, maar ook met angst.
“Weet hij het al, djiez, moet ik het hele verhaal weer vertellen, ik ga janken…”
Ik had mijn hoofd op 2 februari ook al om de hoek van zijn kantoor gestoken, toen met een brede grijns en de woorden die ik me had voorgenomen ” jij zou het concert inderdaad V.R.E.S.E.L.IJ.K. hebben gevonden! Veel te veel gepiel voor jouw doen! Man, het was B.R.I.L.J.A.N.T.!”
Maar toen was hij er niet en sindsdien liepen we elkaar alleen maar op grandiose wijze mis.

Hij zag mijn hoofd vandaag en grijnsde een grijns.
Hij pakte een stoel en schoof die tactisch operationeel ten opzichte die van hem. Standje interrogation.
“Ik heb gisteren iets gehoord waarvan ik dacht dat ik het niet telefonisch ging doen.”
Onder de noemer “ijs gebroken” nam ik plaats in de stoel.

***drie kwartier later***

En toen eindigde ik mijn verhaal met mijn standaard stoere “als Sylvie van der Vaart het kan, kan ik het ook!”
In tegenstelling tot de rest, barstte hij niet in lachen uit.
Ja weet je, zei hij, alsof het een verdienste is, dat ze overleefde. Net als Armstrong. Het heeft meer te maken met tijdstip van ontdekken en de mediche wetenschap en techniek en zo.
Hij ging door: Alsof degenen die het niet hebben gered niet net zo hard wilden als Lance en Sylvie: het is niet een persoonlijke verdienste! Sterker nog….

Ik was het helemaal met hem eens, maar het was niet wat ik bedoelde en we hadden het over twee verschillende dingen.
Ik had het alleen nog nooit zo goed verwoord, dat wat ik echt bedoelde.
Kak, hij is bijna nog analytischer dan ik.
Hoor de competitie lui, hoor de competitie. 

***een kwartier later***

Overleven is niet de verdienste van Sylvie en Lance.
Maar wat wel hun verdienste is, wat je wèl op hun conto kan schrijven, is dat ze geen knauw meedragen.
Dat ze niet met een knak aan de andere kant van de ziekte tevoorschijn zijn gekomen en met die knak doorleven.

Ik ken mensen die na de k.anker zijn blijven hangen in de oneerlijkheid van het geheel.
Ik ken vrouwen die na borstk.anker nooit meer intiem zijn geweest met hun partner.
Ik ken mensen die emotioneel geknakt zijn na de k.anker.
Soms gevangen door zelfmedelijden.

Overleven hangt af van vele factoren, dat is niet je verdienste.
Maar ik wil lijken op Sylvie van der Vaart.
Holy kak, dat ik dit ooit zou opschrijven.
Ik wil hier aan de andere kant uitkomen zonder knauw, zonder knak.
Dat gaat mijn verdienste zijn.

Lopen om te overleven

“…en de bestralingen beginnen een week of 5 na de operatie.”
Ik keek de Bevelvoerder peinzend aan en de arts zag me rekenen.

“Ja, na Utrecht dus.” Ze snapte het direct.
“Als je een beetje goed uit de operatie komt, is het niet uitgesloten dat je Utrecht alsnog kan lopen.
Je bent in topconditie: hoe beter je conditie, hoe sneller je herstel. Blijf lopen, tot de operatie! En Utrecht behoort nog steeds tot de mogelijkheden.”

“Nou…..”, sprak de mammacare verpleegkundige vol twijfels…
“Ze kan hem nu al! Het kan nog steeds.”, onderbrak de arts haar ruw.
Mijn arts is zelf een loopster met een marathon op haar naam. Ze snapt daarom waarom het zo belangrijk voor me is.
En tegen mij zei ze streng: “Blijf trainen, blijf lopen, tot de dag van de operatie!”

Hoe beter mijn conditie, hoe sneller mijn herstel.  Dat is waar.
Sporten werkt mentaal goed. Ook dat is waar.
Utrecht geeft mij een doel in dit hele proces. En dat is misschien de grootste waarheid.

Meende ze echt dat Utrecht nog aan de horizon ligt? Wellicht voor een deel. Ze zal me echter voor een deel ook mentaal hebben willen beïnvloeden.
En dat is gelukt.

Ik loop om mentaal te overleven.
Hardlopen houdt me op de been, houdt mijn hoofd steady.
Hardlopen houdt mijn lijf in conditie, houdt me fit.
Hardlopen geeft mij een doel.
Na de operatie ga ik herstellen om Utrecht te kunnen lopen op 9 april.
Dan kan ik de bestralingen in, wetende dat ik een marathon op mijn naam heb.
Als ik een marathon kan lopen, kan ik de bestralingen ook aan namelijk.

Ik denk dat mijn arts dat heel goed begrepen heeft.

The road to Utrecht om te overleven.

Niet meer Zwaarden van Damocles

Ik ben er nu zeker weten over uit.

Het ergste wat mij blijkbaar kan overkomen, is bang zijn voor iets. Het niet weten. Beren op de weg. Onzekerheid.
Doe mij in godsnaam een vaste baan, in gemeenschap van goederen, de hypotheek voor 30 jaar vast, een opel en een hondje.
Oh wacht, ik beschrijf mijn leven.

Dinsdag ging ik op de jaarlijkse controle.
En toen klopte er ineens iets niet.
Maar dat iets was zó vaag en het niet kloppen kon ook nog zó alle kanten op, dat ik er niets mee kon.
Ik was niks meer waard.
De angst regeerde.
Voor de vierde keer de alarmbellen op donkerpaars.
(Ja-haa lui, ik weet dat het geen paars moet zijn in correct Nederlandsch.)

Donderdag wist ik nog niet zo gek veel meer, maar ik wist wel dat het sowieso niet “allemaal in orde” was.
Er zit iets nieuws verstopt in een woud der goedaardigen.
Vorig jaar was hij er nog niet, nu wel.
En de nieuweling kwam met eigen eigenaardigheden.
De nieuwe uitslag is dat het weefsel a-typisch is, maar definitief uitsluitsel over het k-woord konden ze nog niet geven.
Voor een diagnose en een behandelplan hebben ze wel dat bewijs nodig.
Een ander, pijnlijker monster werd genomen.

De blikken en de woorden en de context sprak echter boekdelen.
Het werd niet uitgesproken, maar tussen de regels werd veul gezegd.
Maandag komt de uitslag.
Of niet, als ook dit monster weer geen uitsluitsel geeft.
Maar ergens weet ik voldoende: wat het ook is, het is sowieso niet “okay en niks aan de hand en we zien u volgend jaar”.

Al 14 jaar lang is die plek een bron van ongerustheid.
En niemand die wilde luisteren: sloop de boel maar leeg, ik kan niet tegen de onzekerheid!
14 jaar lang werd me gezegd dat het beter was om te leven met een zwaard van Damocles dan met zekerheid.
Ik ben de omgekeerde mening toegedaan.
De chirurg zei donderdag: als we geen zekerheid hebben maandag, lassen we een pauze in en volgt na een poos een scan.
Ik zei meer resoluut dan emotioneel: ik dacht het niet, in dat geval snij je het er maar uit en bekijk je op je gemakje achteraf wat het was.
Ze zag dat ik het meende. “Dat is ook een optie”, zei ze.
Toen wist ik echt voldoende.

Ik heb iets ontdekt.
Ik ben de rust zelve.
Ik ben heus enorm verdrietig, vergis je niet.
En ik zie op tegen de molen die ik inga, maar ik ben niet in paniek.
Ik ben niet overstuur.
Maandag volgt een soort van uitslag en het boeit me niet.Ik kan hier iets mee.
Maandag gaat de molen draaien.
En ik ga head first die molen in.

Ja, ik ben bang dat ik mijn Daltons niet zie opgroeien. (als dat al aan de orde zou zijn)
Maar met handelen en doen kan ik meer dan met afwachten en zwaarden van Damocles.

 

De road to Utrecht gaat via Schoorl

Ja, vast niet volgens de routeplanner als je start in Repeldorp, maar deze road to Utrecht gaat wel via Schoorl.
The road to Utrecht duurt vandaag op de kop af nog 8 weken. Ja, vast niet volgens de routeplanner als je start in Repeldorp, maar deze road to Utrecht duurt vandaag wel op de kop af…nog 8 weken.

De Groet uit Schoorl run paste als duurloop perfect in mijn schema op weg naar Utrecht. Ik had de afstand al een paar keer gelopen en wist dat ik die 30 kilometer op zich prima aankan. Maar toen het plan ontstond om met de loopgroep van Marcel te gaan lopen en ze me vertelden dat ze gingen voor 6 minuten de kilometer, begon ik te twijfelen. Dat tempo had ik op die afstand nog nooit gelopen. 6 Minuten de kilometer is 10 kilometer per uur en dan kom je op 3 uur uit. Dat leek me rap.

Een beetje nerveus maakte ik als vreemde eend in de bijt kennis met de loopgroep. Stuk voor stuk leuke lui. En ik ontmoette twitteraars die ik niet kende en kreeg zelfs een “oh ben jij Repeltje?” van iemand. Mijn nervositeit smolt ondanks de kou van die dag in een wereld vol sneeuw en ijs. De andere kriebels groeiden ondertussen onder de lopers. Wat trekken we aan? Hoeveel laagjes? Muts ja of nee? We gingen van start en we liepen met 5 man het tempo van 10 kilometer per uur. Zelfs een seconde of 3 eronder. Dat was prima vol te houden, zelfs met af en toe een babbeltje onderling. We stopten nog uitgebreid bij een drankpost. Wat een mooie loop in een schitterende omgeving in de sneeuw.

Rond 10 kilometer werd voorzichtig de verboden zin “onder de 3 uur” uitgesproken. We floten onszelf een beetje terug, maar Marcel en ik wisselden een blik. Yep, het doel was er, dat was duidelijk. Ik weet niet meer precies wanneer, maar op een moment ergens rond de 20 kilometer gaf een aantal aan dat ze het tempo niet meer bolwerkten: Marcel en ik mochten door. We versnelden een beetje en we liepen perfect samen op in ik denk zo 5.45′ de kilometer. Ik ging er blind van uit dat we in dat tempo samen over de finish zouden komen, maar op 25 kilometer schoot de kramp in zijn kuit. We hielden in: hij kon niet harder dan dribbelen. Na een paar honderd meter gaf hij aan dat ik door mocht. Of vroeg ik het? Met enorm gemengde gevoelens, slingerend tussen “samen uit samen thuis” en eagerness, ongerustheid en ambitie, schuldgevoel en drang, ging ik toch voor de tijd.  Die laatste 5 kilometer merkte ik hoeveel ik over had. Ik kon enorm versnellen. Ik heb die laatste 5 kilometer rond 5.20′ gelopen.

Mijn Garmin gaf 30 kilometer aan nog voor ik de finish zag. Ik had niet gerekend op die laatste 260 meter en had mentaal moeite die te halen in het tempo. Heel gek hoe dat werkt in je kop! Terugkijkend op mijn Garmin liep ik de 30 rond net onder de 2 uur 55 min, de finish op 30.26 km deed ik (in overall 5.49′ de kilometer): 2 uur, 56 minuten en 9 seconden. Na de finish belde ik direct de Bevelvoerder. Ik was zo euforisch! Eerst delen met hem. Ik weet niet of er coherente zinnen uit me kwamen, maar ik geloof dat hij de boodschap wel kreeg. En toen was het wachten op Marcel. Ik had nadat de kramp erin schoot een EHBO post gezien en vroeg me af of hij nog liep, of dat hij daar zat. Gelukkig zag ik hem net over de 3 uur verschijnen. Met een lach op zijn gezicht. Ja, hij baalde van de kramp, maar hij is een sportman.

Onderweg naar zijn huis begon het te sneeuwen en werd het gevaarlijk en glad op de weg. Vroeger dan me lief was ging ik daarom naar huis met mijn Smartje met achterwielaandrijving. Ik was het liefst nog even koffie blijven drinken bij hem en zijn vrouw. ’s Avonds thuis stuurde ik hem nog een whatsappje over mijn schuldgevoel. En ik slinger tot op dit moment nog tussen dat schuldgevoel dat ik niet bij hem ben gebleven en een geweldige trots over mijn prestatie.

De road to Utrecht is voorlopig zonder opstakels. Een goed wegdek. Geen omleidingen. En ik zie ook geen beren op de road to Utrecht. Het zal zwaar worden, maar het vertrouwen in het idee dat ik het kan groeit. Ja. Ik ben een werkende moeder met drie kleine kinderen and you can bet your ass dat ik de marathon kan lopen. Dat dus.

Image Hosted by ImageShack.us

Image Hosted by ImageShack.us

Te mooi om te wachten op Woordeloze Woensdag

Ik wilde me weer eens in allerlei bochten wringen om vals te spelen op Woordeloze Woensdag, maar mijn ongeduld won het van mijn snode plannen.
Ik heb namelijk een foto, en ik heb geen geduld, en teveel woorden. En da’s een slechte combi voor woordeloze woensdag op dinsdagavond, kan ik u verklappen.

Draakje.
Mijn ongeleide projectiel.
Ik kan en durf alles, zo claimt hij zelf. En wij geloven hem.
Fletcher is bijna even hoog als hij is, maar hij grijpt haar doodleuk in de houtgreep als ze hapt of blaft, en hij werkt haar tegen de grond.
Fletcher geeft zich over en laat haar buik zien.
Dát is braaf hondje! Concludeeert hij triomfantelijk met zijn handen in zijn zij, imposant over haar heen staand.
Met 4 jaar de baas zijn over een happende, springende, doldrieste, überenthousiaste Drentsche Patrijs pup van 6 maanden…dan moet je van goede huize komen.

Maar oh, wat een gevoelig en breekbaar mannetje zit er onder die dikke korst van fearlessness.
Hij heeft verkering met Buurmeisje, want die vindt hij zo lief.
Als hij iets goed doet, vraagt hij of ik blij ben.
Hij deelt kusjes uit als troost en wil niets liever dan op schoot zitten knuffelen.

Als hij tv kijkt, zie je zo’n beetje alles terug in dat smoelwerkje.
Ik schaam me niet om toe te voegen dat ik tranen in mijn ogen kan krijgen als ik hem zo zie zitten.
Dat dus. Dit kreeg ik niet valsgespeeld op Woordeloze Woensdag op dinsdagavond.

Image Hosted by ImageShack.us

Forensdiversiteiten

Ik woonwerkforens op veel manieren.
Ik loop, ik fiets, ik brommert, ik ga met de auto, ik ga met de bus.
Een en ander afhankelijk van mijn agenda, zijn agenda, de hoeveelheid zin en mijn loopschema.

Ik kan kiezen uit een route of 5.
Hoe dan ook, er zijn routines.
Lopend, neem ik meestal die ene route, fietsend meestal altijd die andere.
Ik ben wellicht nog meer dan de meesten bij uitstek een gewoontedier.
Als ik loop, weet ik bijvoorbeeld op welke kilometer ik welk refrein kan verwachten op de iPod.
Dat vind ik fijn.

Maar ik wil het nu hebben over andere routines.
Routines die ik zie, en de rest niet.

Zo is daar Mijn Boertje.
Hij zwaait naar mij als ik fiets.
En ik zwaai terug.
Al 5 jaar lang.
Maar hij zwaait alleen als ik fiets.
Hollend, of brommerend ziet hij mij niet.
Hij weet niet dat ik het ben.
Dat hij 20 jaar geleden dagelijks zwaaide naar mijn vader die daar dagelijks liep, weet hij niet.
Mijn vader en ik wel.
Mijn vader kent mijn boertje.

En dan is daar die ligfietser.
Al 5 jaar lang ziet hij mij fietsen.
En ik zie hem, al 5 jaar lang.

Hij ziet me als ik fiets.
Dan kijkt hij me aan.
Hij glimlacht niet, hij vertrekt geen spier.
Al 5 jaar lang.

En g*dver, ik maak een knikje van herkenning, elke keer. Hij gaat mij niet  mijn manieren laten verliezen!
Al 5 jaar lang niet.

Maar ik zie hem ook keer op keer als ik loop naar huis. Hij op die ligfiets, ik hardlopend.
Hij heeft nog nooit een blik richting die hardloper geworpen.
Hij  weet niet dat ik het ben, die fietser.
Hij weet ook niet dat ik het ben, die brommeraar,

Ben ik nou zo gek dat ik alle huizen ken onderweg, en alle tegemoedkomers?
Ik zie ze wel…