Woordenloos, deel II

Hij speelt PS3. Een oorlogspelletje.
Ik zit achter de compu. Ik twitter.
Het hele gesprek lang is hij niet dood gegaan in zijn virtuele wereld en heb ik doorgetwitterd.
Bijna zonder opkijken.
Onderstaande is een samenvatting….zijn online kameraden en mijn online matties deden we erbij…

Hij: hoe oud wil je worden
Ik: Eehm, ik kan er geen getal aan hangen. Oud genoeg.
Ik: Ik wil jullie groot zien worden.
Ik: Ik wil gezegd kunnen hebben, nu is het mooi, Bevelvoerder en ik hebben het mooi gehad. Het mag wel.
Ik: En niet te oud
Hij: Wat is te oud?
Ik: Als je nog wel leeft, maar niet meer kan wat je wil.
Ik: Maar ook daar is geen getal aan te hangen.

Ik: Heb je dat gehoord op het nieuws? Die man in Engeland?
Hij: Die met dat knipperen, ja.
Ik: Ik snap dat hij dan dood wil, want dit gesprek wat wij nu hebben al 40 minuten lang, daar had hij knipperend wellicht wel 2 dagen over moeten doen.
Hij: Ja, ik snap het.
Hij: wil ik ook niet. Dan wil ik ook niet meer leven.
Ik: Aan de andere kant….er was ook iemand die dat ook alleen maar kon en die heeft een boek geschreven, al knipperdend. Kostte hem maar 2 jaar, maar toen was het ook af.
*****ik wist de details niet meer, of het nou een boek was of iets ander, ik had zoiets gelezen*****
Ik: Maar dat moet toch een keuze zijn? Of dit het je waard is? Natuurlijk mag je niks vergooien voor niks….maar soms?
Hij: Nee klopt.

Ik: Met tien ben jij al een wijzere ethicus dan menig ander
Hij: Wat is een ethicus?

Woordenloos

In de auto.
Ik: wat ben je stil.
Hij: ik ben heel vaak heel stil.
Dat klopt. Ik ook.
Ik: denk je aan 1 ding of aan een heleboel?
Hij: een heleboel.
Ik: ik ook vaak. Vind je dat gek?
Hij, met een glimlach: nee!
Ik: maar niet iedereen heeft dat.
Hij op vanzelfsprekende toon: weet ik.
Ik: we lijken op elkaar.
Hij: we lijken heel veel op elkaar.

De Dorpsidioot

Ik zie hem nagenoeg elke dag lopen.
Hij kuiert bij mij in de buurt met zijn boodschappenwagen.
En als ik in ons dorpse winkelcentrum ben -wat best vaak is omdat wij geen weekboodschappen halen- is hij er ook altijd.
Ik geloof overigens niet dat ik hem ooit in een winkel heb gezien.
Ik heb dan ook geen idee of er iets in zijn boodschappenwagen zit.
Hij slentert gewoon door de wijkjes en door het winkelcentrum.
Elke dag. De hele dag.

Hij is van onbestemde leeftijd.
Hij kan in de vijftig zijn, maar met evenveel gemak in de veertig.
Hij is kaal en heeft een buik.
En hij kijkt met zijn onnozele grote blauwe ogen met een verbaasde blije blik de wereld in.
Hij kijkt naar mensen op straat.
Hij zwaait naar iedereen en zegt lachend veel te langzaam tegen iedereen met zijn rare hoge stem:

Ho-hoi! Hoe gaat het? Gaat alles goed?

Met name in het winkelcentrum kan ik de reactie van Repeldorpers op hem bestuderen.
Kleine kinderen zijn wat bang voor hem en schuilen achter de benen van hun papa of hun mama.
Ze zeggen niks terug. Ze staren hem wel aan.
Grotere kinderen, pubers, grinniken en lachen om hem.
Fluisteren achter hun handen tegen elkaar als ze hem zien.
Er zijn volwassenen die hem negeren, die doen alsof hij lucht is, die strak vooruit kijken, hun blik gefocussed op iets zogenaamds belangrijks 10 meter achter hem.
Er zijn volwassenen, met name vrouwen, die hem genant vinden. Die hem uit de weg gaan, hun blik afwendend.

En je hebt volwassenen zoals ik.
Die hoi terug zeggen en dan ook vragen hoe het met hem gaat.
En als je dat doet, dan wordt zijn lach groter.
Dan worden zijn ijsblauwe ogen zonder begrip nog groter en blijer.

Vandaag liep ik met het hondje en ik zag hem.
Hij zag mij en hij zei “ho-hoi! Hoe gaat het? Gaat alles goed?
En zoals altijd heb ik geen idee of hij mij herkent zoals ik hem herken,
maar zoals altijd glimlach ik en roep ik: “Ja dank je, het gaat heel goed! En hoe gaat het met jou?”
En zoals altijd lachte hij vandaag zijn grote lach en zei hij te langzaam met zijn hoge stem:
“Mooi! Het gaat allemaal okidoki!”

Hij liep lachend door.
Ik liep glimlachend door.
Eerst dacht ik dat ik hem een plezier deed, maar vandaag realiseerde ik me voor het eerst dat ik eigenlijk net zo vrolijk doorliep als hij.
Dus hij had mij ook een plezier gedaan.
Onze plaatselijke Dorpsidioot.
En vergis je niet: dat woord gebruik ik op de meest vertederde manier.

De pil is bitter

Disclaimer:

1. Ja, er zijn ergere dingen. Zelfs ik heb inmiddels voldoende meegemaakt *kuch* om me dat aan mijzelf te vertellen. So shoot me.
2. Ja, het was een open deur die ik niet zag. Maar in de achtbaan der deuren heb ik sommige open deuren gemist. So shoot me.
3. Ja, ik kwak het allemaal op de log. So shoot me.
4. Ik heb een dosis zelfmedelijden. So shoot me.

*****

Ik had de inschattingen van specialisten als waarheden genomen.
Zes dagen na de operatie liep ik weer.
Ik liep een maand na de operatie een marathon.
Ik liep op en neer naar de bestralingen.
Ik deed stoer.
Een oedeemarm *mijn ultieme nachtmerrie* zou mij niet gebeuren.
Bewezen, bevestigd, niet gebeuren.

Maar vorige week, 3 maanden na de laatste bestraling, stond ik op met een oedeemarm.
Ineens.
Ruim 150o kilometers in 2012 hardlopen, sommige daarvan te zwaar voor woorden, hebben het tij niet kunnen keren.
Niet “heel erg dik” en “niet heel erg afzichtelijk” (maar wel een beetje) (dus ik dacht dat ik “een beetje” oedeem had).
De gespecialiseerde verwezen fysio zette daar echter bij de eerste afspraak afgelopen vrijdag direct een dikke streep door.
Accuut ontstaan binnen een nacht en dus ernstig.

Ik heb “matig tot ernstige” oedeem.

De open deur: bestralingsschade is op DNA niveau, dus werkt door.
Nog wel een hele lange tijd. #we’retalkingyears
Kanker gaat dood van bestraling, gezonde cellen veranderen op DNA niveau.
De veranderde gezonde cellen blijven zich delen en dus werkt de schade door.
Huidschade was gestabiliseerd, maar kan erger worden.
Oedeem kan erger worden. Of niet.
Oedeem is sowieso Here to Stay.

De uitleg was niet zo steno zoals ik het hier schrijf, maar zo nam ik het wel op, en zo nam ik mijn gifbeker.

Niet hardlopen is geen optie.
Zij keek mij aan.
Ik mag een heleboel niet meer, de lijst is lang.

Lopen heb ik afgedwongen…..ik krijg een mouw.

Ik ken een truukje

Vanaf het moment dat “Mario* Jackson” overleed, is Draakje gefascineerd door het nummer Thriller en de bijbehorende clip.
Zombies zijn wel een beetje eng, maar hij kan het niet laten ernaar te kijken. De eerste keer wachtkamerzingen werd dan ook verzorgd door Draakje!

Linkje: Thriller door Draakje

Maar goed. Zombies dus. Daar is Draakje heel bang voor. Ik zei hem dat Zombies niet bestaan, maar dat argument was niet geldig.
Dus deed ik wat ik ooit deed voor Wijzemans. Ik hing iets aan de voordeur en dat hielp wel.

Image Hosted by ImageShack.us

Ik wist dat dit zou helpen want ik deed het voor het eerst (dacht ik!) bij Wijzemans die bang was voor spoken toen hij even oud was als Draakje nu is.
Toen ontdekte ik dat het argument “ze bestaan niet” totaal irrelevant is.

Image Hosted by ImageShack.us

Maar van de week kwam ik erachter dat ik het al een keer eerder had gedaan. Ik vond dit papier tussen de spullen op zolder. Blijkbaar ken ik gewoon een truukje! Ik was het totaal vergeten, maar alles kwam weer terug: Spelmaker die zo bang was voor die beelden bij het winkelcentrum!

Image Hosted by ImageShack.us

*Mario Jackson, vraagt u zich af? Ja, als je zo vaak Super Mario speelt als Draakje is de vergissing begrijpelijk!

La la la, the Afterparty goes on and on and on and on

Een beetje sambal heeft een heerlijk nabrandertje.
The Afterparty heeft dat ook; een hele echte goede nabrander.
Het nabrandertje kwam als een schok, maar ik had het kunnen weten.
Want ik heb iets meegemaakt helemaal aan het begin van het feestje zelf, waardoor ik dit had kunnen incalculeren.
Maar toen wist ik nog niet dat er een Afterparty bestond. Sterker nog: het gros van mijn omgeving snapt nog steeds niet dat er een Afterparty bestaat.
En van de mensen die dat wel weten, snapt de helft niet dat ik nog niet eens kan voorspellen wanneer de eerstvolgende bus naar huis gaat.

**** Toen***

Ik kan tot op de seconde nauwkeurig het hoogtepunt van het kankerfeestje pinpointen.
Dat was niet het moment dat ze een afwijking bij de controle aantroffen. Na 4 keer ben je een soort van veteraan in het aanhoren van “we hebben wat afwijkends aangetroffen”.
En het was ook niet het moment dat de uitslag kwam van de biopsie. Ik zei niks toen ze zei: “Ik zal er geen doekjes om winden. Ik heb slecht nieuws: er is borstkanker aangetroffen.” De Bevelvoerder en ik deelden gewoon een blik van: nou, this is it dus. De chirug keek ons hierop een voor een aan en zei tegen mij: “je wist het he”. Ja, na 14 jaar was het bijna een opluchting.

Nee, het ergste moment was op 16 maart tussen 9:30 uur en 10:00 uur. Vlak nadat mijn lotgenootje de uitslag “schoon” had gekregen. En daarom had ik het nabrandertje moeten zien aankomen.
Zij was 20 minuten voor mij aan de beurt om te horen of de poortwachtklier schoon was. Dat was de belangrijkste uitslag van het hele feestje, want iedereen weet wel zo ongeveer hoe anders de prognoses zijn bij uitgezaaide borstkanker. Ik zag haar naar binnen gaan en werd dood- en doodongelukkig en bang. Niet voor haar, maar voor mij. Het was de eerste keer dat ik uit overlevingsdrift niet alleen bot, maar überbot-egoistisch werd. Ik zag haar naar buiten komen en ze sprak het woord “schoon”. Ik was op zich wel oprecht blij voor haar, maar toen moest ik. Maar toen kwam er wat tussen en kreeg ik te horen dat het wel een half uur extra kon duren. Mijn lotgenootje moest ondertussen weg.

Dát was dus het ergste half uur van het feestje. Ik zat daar met de Bevelvoerder en ik belde mijn moeder -die bij de Daltons was- dat het wat later zou worden. Mijn jongste is pas 4!, flitste het door mijn hoofd. Want ik wist ondertussen radeloos zeker dat mijn poortwachtklier niet schoon zou zijn. Ik kon het lange wachten na acht dagen Niemandsland niet meer aan en dat half uur nekte me totaal. En bij haar is hij wel schoon en bij mij vast niet, was alles dat ik kon denken. Ik was zo blij dat zij en haar opgeluchtheid niet meer bij mij in de buurt waren! Ik ben een duizend doden gestorven dat half uur. Een lotgenoot met goed of slecht nieuws voor mij was het laatste waar ik behoefte aan had…dat had mijn clue moeten zijn op weg naar deze nabrander…

***Nu***

Dat was aan het begin van het feest. Nu, een slordige half jaar na de diagnose, ben ik een wereld aan ervaringen rijker. En ik deal met alles op de enige manier waarop ik kan. Niet uit keuze, maar omdat ik geen andere manier zie. En ik heb inmiddels ook ervaren hoe het is om om te gaan met lotgenoten voor mij en lotgenoten na mij. We gaan allemaal op onze eigen wijze om met het feestje en de Afterparty.

De nabrander dus. Dit is een stukje uit een mail die ik schreef:

Iedereen snapt dat je niet kiest voor de ziekte en dat je niet kiest voor de wijze waarop je ermee omgaat.
Ik zag toen maar 1 reddingsboei die ik kon grijpen, en nu voel ik me als een koorddanser zonder vangnet.

Ik wist dat er om me heen mensen aan het koordansen zijn op hun eigen touw, en hey: die kunnen zich niet met mijn touw bezighouden anders pleuren ze van hun eigen touw.
Hoe moeilijk dat ook te accepteren is, snap je het wel (klinkt dubbel, is het niet.)

Het blijkt dat iemand (al lopend op zijn eigen touw!) moeite kan hebben met het touw dat je “koos” of de wijze waarop je loopt.
Dat kwam als een complete verrassing voor me, als een schok.
Da’s misschien dom van me, maar ik had er serieus geen rekening mee gehouden. Het maakte me serieus aan het wankelen en ik stond op het punt rare bokkensprongen te maken.
En als ik nu niet oogkleppen opzet en me focus op mijn voeten, pleur ik van mijn touw.
Als ik aan de overkant kom, of als ik een vangnet heb, kan ik daar weer aandacht voor hebben, want mijn rationele ik weet dat het normaal is….maar ik ben even aan het koorddansen.

***

Het mooie is dat je je als lotgenoten daar in kan vinden. Begrip van alle kanten. Wellicht is de nabrander minder rot en meer sambal lekker dan ik dacht…