Senses

Ik ben beter in gezichten dan in namen. Ik ben heel visueel ingesteld. Ik ben altijd degene die ziet of iemand een nieuwe bril heeft en ik kan me met alle gemak deze kamer waarin ik nu zit op z’n kop voorstellen. Of binnenstebuiten.
Ik heb geen richtingsgevoel, geen interne kompas. Ik weet hoe het er hier uitziet en ik weet hoe het er in Repelbuurdorp uitziet, maar negen van de tien keer weet ik niet hoe ik van hier naar daar kom. Ik zie de weg ertussen niet. Volkomen blanco.
Ik ben slecht in het onthouden van geuren. Ik kan me met de beste wil ter wereld mijn favoriete parfum nu niet voor de geest halen, noch de geur van vanillevla.
Ik ben goed in geluiden, ik kan geluiden en stemmen goed onthouden en ik ben muzikaal. Maar ik kan informatie niet goed tot me nemen zonder visuele ondersteuning. Zonder ‘plaatjes’.
Ik zou niet meer weten hoe kiespijn aanvoelt. Ik kan het me niet meer voorstellen terwijl ik het toch echt serieus heb gehad. En toen de eerste wee van kindje nummer twee zich aandiende, realiseerde ik me met ultiem afgrijzen oh my holy kak, zo voelde dat….oh for the love of God what have I done?

Volgens mij ben ik hierin volkomen normaal. En Spelmaker is net als ik. Hij mist ook richtingsgevoel op dezelfde maffe wijze als ik en hij is beter in het ene zintuig dan in het andere, maar niets springt er op een aparte manier uit.

Wijzemans echter, is heel gevoelig voor stemmen. Het stemgeluid van iemand, het timbre, is voor hem allesbepalend of hij iemand aardig vindt, of hij de informatie tot zich kan nemen en zelfs bijna bepalend voor zijn stemming. Als je stem hem niet aanstaat maakt het niet uit wat je zegt. Uit je stemgeluid leidt hij af wat je voor hem voelt, of je het meent en of hij bereid is naar je te luisteren. “Lieverd, hoe is je nieuwe juf?” “Ze heeft een mooie stem.”

Draakje is gevoelig voor geuren. “Ik ruik iets!”, hoor je hem vaak zeggen. Maar ik zeg het verkeerd: hij is volgens mij niet gevoelig voor geuren, hij ruikt gewoon heel erg goed. Ik denk namelijk dat hij meer ruikt dan wij. Op een dag kwam hij thuis uit school. De Bevelvoerder deed de deur open en toen riep hij “Oma is er!” Ze was onverwachts langsgekomen en hij had in de deuropening, in de hal, nog half buiten al geroken dat ze er was. En nee, oma werd vanuit de woonkamer niet omringd door een wolk van parfum.

In de dierentuin bepaalt de geur wat hij van de dieren vindt en hoe lang hij ergens wil blijven. Is het wellicht zo dat als hij inderdaad beter zou kunnen ruiken, dingen ook eerder zullen stinken voor hem? Vanwege de overkill?
Toen ik gisteren een mail kreeg van een moeder die het uitje naar de boerderij had begeleid, was ik dan ook totaal niet verbaasd door de foto die ze meestuurde. Tot het bot ontroerd was ik wel. Dat dan weer wel.

20130328-120745.jpg

Advertenties

Taking it to the next level

Draakje en ik voeren minimaal twee keer per week (soms *uch keer*) het volgende gesprek:

Ik: je bent van mij
Hij: nee, ik ben van papa
Ik: nee, je bent van mij
Hij: IK BEN VAN PAPA!
Ik: maar je komt uit MIJN buik!
Hij: MAAR DAAR HEEFT PAPA MIJ IN GELEGD!

De eerste keer was ik door deze punchline met stomheid geslagen, maar inmiddels geniet ik van ons routinegesprekje. Het is voor ons een soort van “ikhouvanjouikookvanjou”, maar dan DraakjeRepel Style. Dacht ik. Dacht ik echt.

Maar vandaag.

Hij: MAAR DAAR HEEFT PAPA MIJ IN GELEGD!
Hij loopt triomfantelijk weg, als usual, maar komt vervolgens weer terug.

Hij: Waarom heeft papa mij daar in gelegd als hij mij ook had kunnen houden?

Hij loopt weg zonder op antwoord te wachten. Ik had ook geen antwoord klaar, eerlijk gezegd.

5 jaar……

14 maart 2013

Het loopt uit. En ik ben an emotional wreck.
Als deze uitslag niet goed is, weet ik werkelijk niet hoe ik dat moet gaan processen.

De eerst mammo na een jaar.

Ik ken de routine goed genoeg dus ik kan de vertraging uitrekenen aan de dames voor mij.
Vrouw naar binnen, 1e keer, gesprek en een knijponderzoek.
Vrouw terug naar wachtkamer.
Vrouw naar binnen voor 2e keer, de 4 foto’s.
Vrouw terug naar wachtkamer.
Vrouw naar binnen voor 3e keer, de uitslag.

De vrouwen in de wachtkamer kijken naar mijn rolstoel en mijn been en kijken verongelijk of verdrietig. Ik heb het blijkbaar makkelijk, zo interpreteer ik hun blikken. Ik kan het wel uitschreeuwen: de memmenpletter is het enige apparaat hier, ik kom hier ook voor mijn tiet, ik ben net zo bang als jullie, mijn been is bijzaak! ik zal nooit meer lopen, nooit meer Running Repel, boeien, als deze uitslag slecht is ga ik dood.

De vrouw net voor mij is zolang binnen voor de foto’s dat de Bevelvoerder terug naar huis moet. Een uur vertraging hebben we niet kunnen opvangen en ik moet dus alleen de foto’s dealen zodra ik eindelijk aan de beurt zal zijn. En, daar waar ik de hele nacht al wakker van lag: alleen de uitslag moeten aanhoren.

Ik zit in mijn rolstoel met de krukken paraat, ik vraag me af hoe ik die memmenpletter moet gaan dealen met dat been en ik vervloek haar. Die vrouw voor mij. Ze is oud. Minimaal 18 jaar ouder dan ik. Ik haat haar. Haar man zit in de wachtkamer. Hij leest iets en is zich totaal niet bewust van het feit dat ik zijn vrouw wel kan wurgen.

Die vrouw komt terug met een rood hoofd en heeft pijn. En ze klaagt. Tegen haar man. De foto’s lukten niet. Ik vind haar een watje. Ik ben boos.
En ik zit er nog een half uur lang. Net als zij. Ik wachtend op de foto, zij wachtend op de uitslag.
Zij met haar man, ik alleen.
Zij huilend, ik haar hatend.
Ik zit er godverdomme in een rolstoel jij stomme oude taart! Zeur niet! What do you know?
Maar ik zeg niks en ben een onbereikbare ijsberg.

Ze zegt tegen haar man dat het uitloopt.
Ik antwoord ongevraagd dat ik al 5 kwartier zit.
Ze geeft antwoord en voor ik het weet komt ze naast me zitten.
Om me te troosten.

En dan.

Zij is ook terug voor de eerste controle na exact 1 jaar.
Zij had ook borstkanker vorig jaar.

En ineens ben ik niet die sjachereinige bitch meer die iedereen dood kijkt en is zij niet meer die oude taart. We knuffelen elkaar.
En ik troost haar. De foto’s deden haar teveel pijn met het littekenweefsel.
Ze was zoooo bang voor de controle.
En de foto’s deden zoveel pijn. Teveel pijn.
Ik was de eerste vrouw die ze zag die hetzelfde meemaakte.
Ze heeft zoveel pijn gehad…

Na de foto’s met de speciale memmenpletter-rolstoel (ja! die bestaat!) komt een mammo-pleeg me lastig vallen:
Sorry, ik moet het vragen: heb je die marathon nog gelopen vorig jaar?
Dat ik nog met blote tieten zit boeit me niet; ik laat met trots mijn tattoo zien.
De datum van de marathon.
Een maand na de operatie.
Maar ik ben met stomheid geslagen. Dat weet je nog? Ja, zegt ze, sommige gevallen vergeet je niet.
Die opmerking heb ik voor altijd in mijn zak gestoken!

De pleeg die me van de speciale memmenpletterstoel in mijn rolstoel helpt zegt me:
Het is de taak van de arts om je te zeggen, maar het is goed.

Mijn lieve arts geeft me de goede uitslag en raadt me aan te zwemmen tot ik weer kan lopen.
Dat ik watervrees heb, durf ik niet te zeggen.

Ik rol mezelf met moeite richting lift en whatsapp de Bevelvoerder.
Hij belt terug en ik sta even stil met de rolstoel met krukken lekker onhandig.
De receptioniste blijkt net op weg naar het toilet en grijpt mijn rolstoel.
“Oh, lieffie….je kan naar de invalidenplek komen, ik word ernaar toe gerold!”

Loodrecht

14 februari 2012 de foute mammo.
4 februari 2013 het ongeluk.

En met ‘februari’ stoppen dan vervolgens ook echt alle overeenkomsten.

Nu een pijnniveau dat sinds het ongeluk volcontinu in het rood ligt. In verhouding tot elkaar valt die van vorig jaar weg in de ruis.
Toen de overheersende angst. In verhouding tot elkaar valt die van nu weg in de ruis.
Nu lichamelijk beperkt tot het uiterste. In verhouding tot elkaar valt die van toen weg in de ruis.
Toen emotioneel niet in staat te functioneren. In verhouding tot elkaar nu afgerond naar boven totaal wel, maar lichamelijk afgerond naar beneden totaal niet.
Toen een serieus afgetopt energieniveau. In verhouding tot elkaar nu afgerond naar boven een volle batterij.
Toen vocht ik tegen kanker in mijn hoofd naar herstel. Nu vecht ik met mijn lichaam naar herstel.
Toen was ik super fit en gezond en maakte de genezing van het onzichtbare me ziek.
Nu ben ik vleugellam en moet de genezing me weer doen vliegen.

Ik kan me niet verplaatsen in de hoofden van anderen, maar ik heb wel een onwillekeurige interpretatie van de reactie van familie, vrienden, collega’s en kennissen toen en nu. En die interpretatie is door sommigen zelfs uitgesproken.

Oh wacht. Er is nog een overeenkomst, behalve ‘februari’.
De ongelofelijke steun en onverwachte steun en lieve steun van iedereen in mijn leven. Toen en nu. Op uitzonderingen na. De onverwachte steun even onverwacht als de uitzonderingen. Toen en nu.

Maar binnen die overweldigende steun is er wederom een levensgroot verschil tussen toen en nu.

Toen overkwam mij iets waarvan men niet denkt ‘dit kan mij overkomen’, maar iets waarvan men hoopt ‘laat het in Godsnaam mijn deurtje voorbij gaan’.
Toen overkwam mij iets dat onzichtbaar en ontastbaar is, waarvan de geneeswijze bestraling zelfs nog onzichtbaarder en ontastbaarder is dan de kwaal. Een sluipmoordenaar.

Nu maak ik iets mee waarvan men zich met schrik realiseert ‘dit had mij kunnen gebeuren’.
En dan met name de lopers onder ons.

Met borstkanker beleef ik niet iedereen’s nachtmerrie, aangereden tijdens het hardlopen op het zebrapad wel.