Dood grijs

Ik heb nog een kwartier voor ik de deur uit moet om de jongens te halen.
Ik zit op de bank.
Coach Potato,
Al weken op de bank.
En ineens valt er een kwartje.

Het is lekker weer. Ik kan ook gewoon de deur uit gaan.
Naar buiten.
Ik kan ook gewoon een ‘ommetje’ gaan maken.
Het idee popt op als een Eureka.
Voor het eerst sinds heel heel heel heel erg lang geleden neem ik de pijn en neem ik de moeite om de deur uit te gaan zonder doel.
Niet omdat het moet, maar omdat ik het kan.

Het voelt heel bizar om buiten te zijn zonder dat ik een ziekenhuis gerelateerde afspraak heb. Zonder dat ik ergens naartoe moet. Zonder doel.
Ik rij naar school via een grote omweg en ben er dan nog dermate vroeg dat ik de klas nog zie buiten spelen.
Ik lach me inwendig te pletter om Draakje. Ik geniet. De klas gaat naar binnen en ik zit nog even in de zon te wachten tot de school uit gaat.

Ik begroet Draakje en zie tot mijn schrik dat zijn voortand donkergrijs is. Dood grijs.
Zo grijs als alleen een dode tand kan zijn.
Ben je gevallen?
Ja, en toen was mijn tand even weg en kwam toen heel snel weer terug.
Oh shoot oh shoot oh shoot, dat klinkt heel verkeerd!
Met die beschrijving zou de grote mensentand eronder ook nog wel eens kapot kunnen zijn!
Ik ben enorm geschrokken en vraag me af of ik naar de tandarts moet.
En hoe ik daar dan kom.
En waar ik de rest van de kinderen dan laat.
Oh shoot oh shoot oh shoot.
Ergens verbind ik mijn briljante idee van het ommetje met dit: ik word meteen gestraft voor het feit dat ik iets leuks ging doen.
Voor dat ommetje.
Ik kan wel janken.

Oh wacht.
Mijn brein stopt even met paniekeren.
Met zo’n klap verwacht je tranen.

Ik rij naar de leraar.
Ik ben een haardikte verwijderd van boos worden.
Is Draakje gevallen vandaag?
Ik zie hem denken
Niet dat ik weet?
Hij heeft een grijze tand, heeft hij niet gehuild?
Nee, hij heeft de hele dag niet gehuild.
Hij klinkt heel resoluut.

Ik rij naar Draakje.
Laat je tand eens zien?
Ik kijk heel goed, ik tuur, ik staar, ik draai hem naar het licht.
Het lijkt wel….

Heb jij op je tand getekend met potlood?
Draakje forceert zijn IkProbeerErOnderuitTeKomen Tranen.
Het was de schuld van Annabel!

Advertenties

Verwerken Repel Style IV

Als het aantal kaarten dat je hebt gekregen nauwelijks in een grote AH tas past.
En nog steeds blijven komen.
Als je veel bezoek krijgt uit verwachte, maar ook onverwachte hoek.
En blijft krijgen.
Als er mensen ook van heel ver zijn gekomen.
En nog steeds blijven komen.
Als je wordt geholpen met humor.
Als je meerdere home made maaltijden hebt gekregen.
Om ook je gezin te helpen.
Als de politie heel speciaal wordt bedankt vanuit het buitenland.
Als je voor onbepaalde tijd hulpmiddelen mag lenen.
Als mensen blijven vragen hoe het gaat.
Als iemand voor je loopt als je het zelf niet kan.
Als iemand zijn screennaam voor je verandert.
Als je echtgenoot wordt opgevangen.
Als er krachten worden gebundeld en je heel veel kado’s krijgt.
Teveel kado’s om op te noemen.
Hele bijzondere kado’s.
Als je loopmaatjes je niet vergeten.
Als je continu whatsappjes blijft krijgen met bemoedigende woorden.
Als je net als vorig jaar een wekelijkse mail krijgt.
Als je tips krijgt van mensen die weten wat het is.
Als je heel veel lieve reacties krijgt via alle social media.
En blijft krijgen.
Als je regelmatig gebeld blijft worden.
Als mensen heel lief voor je zijn.
Als je collega’s je niet vergeten zijn en je nooit links hebben laten liggen.
Als je wordt opgehaald om gelucht te worden.
Als je kinderen worden opgevangen.
Als je verwaarloosbaar nauwelijks stuit op onbegrip.
Als mensen ook nog steeds vragen naar vorig jaar.
Als je de ruimte krijgt om egoïstisch te zijn omdat je dat nodig hebt voor je herstel.
Als je zoveel hulp krijgt aangeboden.
Als je weet dat je er nooit alleen voor hoeft te staan al hoef je nu niet van alles gebruik te maken.
Als je je realiseert hoeveel moeite iedereen doet.
Als je je realiseert dat de steun blijft en de wereld niet zomaar voor iedereen doordraait zonder jou mee te nemen.
Als je echtgenoot dubbel en dwars achter je staat, liefdevoller dan ooit.
Als je kinderen keisterk zijn en heel lief zijn voor mama.
Als je weet dat je nu minstens 10 bijzondere blijken van hulp vergeet op te sommen omdat het gewoon overweldigend is.

Dan weet je dat je dankbaar kan zijn.
Dan weet je dat je een opvangnet hebt dat zo solide is dat je er nooit door kan vallen.

En hoe blij ik ben met alle steun uit alle hoeken in alle vormen kan ik niet in woorden uitdrukken.
Maar het wordt wel volledig gevoeld.
For the record; ik schreef dit met tranen in mijn ogen.

Verwerken Repel Style III

Ik kijk het Baasje van Ben aan. Ik aarzel en vervolgens is zij de eerste tegen wie ik het vertel. Het voelt als opbiechten. Ik weet alles nog, elke milliseconde. Van ver voor tot alles erna en tijdens. Ik weet wat ik zag en ik weet wat ik dacht en wat ik deed. Ik heb alle beelden.

Op twee na.

Ik weet dat ik, toen ik op het asfalt was gekwakt, achterom keek naar de auto. en ik weet dat ik toen zag dat mijn been vast zat. De chauffeur kwam in paniek uit de auto en gilde wat ze moest doen. Ik weet dat ik terug gilde dat ze achteruit moest. Ik weet letterlijk nog woord voor woord wat ik riep. Ik weet dat ik keek naar de wielkast en dat ik wist dat het noodzakelijk was dat ze achteruit reed, anders zou ik mijn been er niet uit krijgen. Ik weet alleen niet meer wat ik toen zag. Wel hoe zij eruit zag, haar jas open, haar haren, hoe ze in paniek was, maar niet mijn been in die wielkast.

Ik weet dat ze achteruit reed, dat ik mijn been uit de wielkast haalde en ik weet dat dat toen pas wel kon. Ik weet dat ik mijn been op het asfalt legde en dat toen de pijn pas begon. Maar het beeld van de wielkast nadat ze achteruit was gereden heb ik niet meer. Wel het beeld van de man die ernaast stond met zijn mobiel aan zijn oor op exact dat moment. Ik weet ook nog dat ik aannam dat hij 112 belde en ik weet nog dat ik toen bedacht dat ik de Bevelvoerder moest bellen want die zou ongerust worden.

Het eerste beeld dat ik heb van mijn been is toen het daar op het asfalt lag en ik weet dat ik toen heel bewust heb besloten dat been niet meer te willen zien tot na een operatie. Ik heb die hele avond daar heel veel moeite voor moeten doen. Dat niet willen zien van mijn been.

Mijn brein nam die opdracht blijkbaar above and beyond. Mijn brein heeft 2 beelden geblocked. En ik weet niet of ik die ooit nog terug krijg. En ik weet ook niet of ik dat moet willen.

Verwerken – Repel Style II

Op 4 februari eet ik op weg naar de sportzaal nog een broodje kaas. Ik kan niet lopen op een lege maag. Ik kleed me om. Ik pak mijn loodkleding uit mijn tas en kijk naar mijn sportonderbroek. Hmm, ik kan net zo goed mijn superdure nieuwe chique slip aanhouden die ik aanheb. Die naden zie je nog minder onder mijn lichte loopbroek. En hij moet toch in de was aan het eind van de dag, een beetje loopzweet maakt dan ook niet meer uit.

Uren later op de eerste hulp moet mijn been zo snel mogelijk gespalkt en steriel verbonden worden. De botten steken er dan wel niet meer uit, maar de gaten zijn duidelijk. Ik mag pas geopereerd worden als mijn broodje verteerd is en de nekbrace mag pas af als ik onder de CT ben geweest. Zo snel mogelijk wordt mijn broek opengeknipt van onder naar boven en iemand anders komt aan met een operatieschort.

De verpleegkundige met de schaar heeft mijn broek uit en wil door met de slip. Ze blijft hangen met de schaar in de lucht. Ze kijkt naar mijn slip en zegt: “ik kan het niet!” Groggy van de morfine grap ik dat ik echt niet van plan ben hem uit te trekken. Ik wil koste wat het kost voorkomen dat ik dat been zie en de pijn knalt door de morfine heen. Dus ik grap. Knip door dat ding. Met een diepe zucht zet ze de schaar in de dure stof. Wat zonde, zegt ze. Door de morfine heen vind ik het een absurdistische situatie. Ik lig in een nekbrace, mijn been is kapot en de verpleegkundige  houdt blijkbaar zo van lingerie dat dat zonde is. Definieer zonde.

Verwerken – Repel Style

Na de tweede operatie gaat het mis.
De specifieke pijn is pal na de tweede operatie dusdanig dat men vreest voor compartiment syndroom.
Het drukverband wordt opengeknipt en ik word van mijn kamer weer teruggereden naar de verkoeverkamer.
De pijn is onhoudbaar op weg naar beyond onhoudbaar.
Ik krijg daarop een pijnstiller waarvan ze me waarschuwen dat het in combinatie met de morfine kan leiden tot hallucinaties.

Er wordt wat in mijn infuus bijgespoten.
Ik voel alleen maar helse pijn en vrees voor het wat als…
Ze hebben wat in mijn infuus gespoten en ik merk niks.
Oh wacht. Ik merk wel wat.
Ik dobber.
Nee, ik golf.
Voel ik minder pijn?
Ik denk het. Ik weet het niet.
Maar ik golf wel.
Ik doe mijn ogen open en probeer te focussen.
Mijn ziekenhuisbed begint te bewegen en glijdt naar de muur. Mijn bed beweegt zich tegen de zwaartekracht in tegen de muur en alsof de verkoeverkamer een rodelbaan is, giert mijn bed vervolgens langs de wanden. Mijn bed draait rondjes tegen de muren en mijn ogen zien de kamer alsof het met warp speed 6 gaat.
Ineens zie ik de klok aan de muur.
Het is 5 minuten later, vertelt een deel van mijn brein mij.
Een ander deel van mijn brein kan de tijd ruiken.
Nog een ander deel van mijn brein ziet de klok smelten langs de muur.
Maar mijn bed is alweer op weg, mijn bed flitst rondjes geplakt langs de muren van de zaal.
Ik ben misselijk. Ik wil niet meer.
Ik kan het concept misselijk zien.
Ineens zie ik een hoofd.
Iets dat klopt. Het is de anesthesist.
Gaat het?
Nee.
De kleur van mijn deken is voelbaar.
De tijd kan ik ruiken.
Wat ik zie kan ik horen.
Dan zie ik het hoofd van de verpleegkundige.
Gaat het?
Nee, ik race langs de muren.
Het hoofd van de verpleegkundige smelt.
Ik kan het proeven.
Ik realiseer me dat ik worstel om grip te hebben.
En dan realiseer ik me dat ik geen pijn heb.
Ik kan horen dat ik geen pijn heb.
Ik proef de klok en ik kan het gezicht van de verpleegkundige horen.
Hoe eng het ook is, het ontbreken van pijn overheerst.
Dat, en de verbazing.
Een kleur later kom ik bij,
Een smaak later weet ik waar ik ben,
Een toon later heb ik weer pijn,
Maar niet meer de pijn van het compartiment syndroom

God dobbelt niet!

De Bevelvoerder heeft dienst.
Spelmaker heeft zijn broers uit school meegenomen en ik maak pita broodjes voor de lunch.
Pita broodjes met pindakaas. Dat is Dalton Style.

Ik baal ervan dat ik ze niet ging halen, maar ik geniet dat ik lunch kan maken. Zittend en trippelend vanuit de trippelstoel.
Ik maak lunch, en later maak ik appelmoes.
Ik doe en ik tuttel de hele middag.
Ik kan alweer zoveel!
Ik trippel me rot met mijn rechterbeen en mijn linkerbeen begint een mening te krijgen over het ‘niet omhoog liggen’ en het gebrek aan rust. Ik negeer dat been.

Spelmaker is ondertussen met Kind aan Huis naar de speeltuin.
Kind aan Huis is bijna 3 maanden ouder en door die timing zit hij in groep 8 en Spelmaker in groep 7.
Die twee. Niet op dezelfde school, niet in hetzelfde schooljaar. Niet in hetzelfde voetbalteam.
Desondanks zijn ze al jaren de beste vrienden. Van hetzelfde kaliber. Op veel fronten.
Ze zijn de categorie vrienden die je als moeder hoopt voor je kind: ze halen het beste in elkaar naar boven.
En elke woensdagmiddag spelen ze samen. Maar dit is vast het laatste jaar, want Kind aan Huis gaat volgend jaar naar de middelbare en Spelmaker naar groep 8.
Het schooljaar verschil gaat tellen. Meer en meer. Desondanks denken de moeder van Kind aan Huis en ik dat ze het gaan redden. Zelfs de aankomende brugklas en de brugklas daarop. Ze zijn van de buitencategorie.
De Moeder van Kind aan Huis en ik zijn overigens net als onze zonen: niet op dezelfde school, niet in hetzelfde jaar, en niet in hetzelfde team. En toch zijn we al jaren de beste vrienden.

De Moeder van Kind aan Huis arriveert ergens in de middag en zoals die dingen gaan blijven zij en Kind aan Huis eten.
Tijdens het eten vraagt Wijzemans aan mij wie Einstein was.
Kind aan Huis en Spelmaker springen al gaande in met vragen en antwoorden en….

….voordat ik het weet heb ik het over de lichtsnelheid, en het niet harder kunnen gaan dan dat. Over natuurkunde.
Trippelen en appelmoes maken is allemaal leuk en aardig, maar ik zit al bijna 9 weken mijn brein te verwaarlozen! Ik. Ga. Helemaal. Loos.
Over dat het bij natuurkunde geldt dat iets waar is totdat er iemand komt die zegt dat het anders is.
Dat Newton nog steeds gelijk heeft met zijn appel.
En Einstein nog steeds met zijn lichtsnelheid.
Maar dat Schrödinger en Heisenberg na Einstein kwamen en bewezen dat Einstein niet alles wist.
Dat Einstein het er daar moeilijk mee had: Heisenberg kon geen gelijk hebben, noch Schrödinger: “God dobbelt niet”

Terwijl ze aan hun derde pannenkoek stroop/suiker/zefgemaakte appelmoes/Franse stinkkkaas zitten (okay sorry, ik ben de enige die de stinkkaas op heur pannenkoek deed), leg ik uit aan Kind aan Huis hoe het een beetje kan.
Het kind hangt aan elk woord.
Spelmaker is wat stiller, die komt later wel. Het schooljaar verschil is nu aan het woord. Ik zie de bedachtzame blik en de raderen. Dit typeert de kracht van Spelmaker.
Ik leg uit, ik ben in mijn element en doe weer eens wat anders dan borduren en TLC kijken.

Wij kunnen die wereld van atomen en kleiner dan dat niet zien, niet aanraken en niet meten. Het is niet als een deur die we kunnen opmeten zonder hem aan te raken.
Wij kunnen de kleine wereld alleen indirect een rotschop geven en meten wat de reactie is, en die reactie proberen te vertalen naar wat er gebeurde.
We kunnen alleen energie stoppen in een apparaat en meten wat er daarna gebeurt en dat vertalen naar wat er werkelijk aan de hand is.
En de verklaring wat er aan de hand is klopt, tot er iemand komt die zegt dat het anders is…
Arme Einstein. Toen Schrödinger en Heisenberg met hun theorieën kwamen, was Einstein over zijn piek. Einstein wilde er niet aan. God dobbelt niet!

En dan zegt Kind aan Huis:
Maar kan het niet zo zijn dat er dan ook iets is veel groters is dan wij? Voor wie wij zo klein zijn dat we elkaar niet kunnen zien? Net zoals met elektronen?

Ik glimlachte heel erg breed. Het kind is een wetenschapper. Zoals je ze zelden ziet.
Wat hij begreep en tot welk abstractieniveau hij het kon doortrekken is heel bijzonder.
God dobbelt misschien wel.