Dat kind? Dat dus.

De baby die een maand te vroeg met de tang werd gehaald en door het oog van de naald de bevalling heeft overleefd.
Het faalangstige jongetje dat zich in groep 2 ziek veinsde omdat hij een werkje niet durfde te doen omdat het te moeilijk leek.
Het mooie kind dat in groep 4 bijna mentaal vermorzeld en verguisd is door een docente die het werkelijk niet begreep #ikrukhaarhoofderaf.
Het kind dat in groep 6 eindelijk een juf kreeg die de groeibriljant zag.

Het allround kind dat sociaal is, verantwoordelijk is, sportief is. Lief is. Veel vrienden heeft.
Zo allround kundig dat je bijna niet in de gaten hebt dat het zo pienter is.

Het kind dat het meeste heeft meegekregen van een zieke dan wel weer eens invalide moeder.
Het kind dat zijn broertjes naar school bracht, de hond deed, hielp in de huishouding, nooit klaagde.
Al anderhalf jaar lang.
De boel thuis opving op de schouders van een 10/11 jarige.
Zijn moeder trooste.

Het kind dat steeds meer de humor van zijn vader krijgt en zijn moedertje (nog net groter dan hij) in de maling neemt. Omdat ze daar vrolijk van wordt.
Het kind dat een twee-eenheid is met zijn vader.
De Feyenoorders.

Het kind dat zijn spreekbeurt voor de eerste keer wil oefenen voor 2 (voor hem onbekende) bomen van militairen die hier op de avond tevoren langs waren.
Dat de grootste van de twee later tegen mij zei: op die leeftijd was ik liever doodgegaan dan doen wat hij deed!

Het kind dat niet wil dat zijn moeder hem op het schoolplein kust.
Maar wel wil dat ze met krukken de klas in komt, want dat is stoer.

Het kind dat de bijna zittenblijver altijd helpt in de klas.
Het kind dat bevriend is met de “percentielscore 14%” van de klas.

Dat kind kreeg de uitslag van de Cito. Het voorlopige advies van groep 7.
Gymnasium.

Dat kind dat alles dealt en gymnasium advies krijgt.
Terwijl hij thuis de boel draaiende houdt.
Dat kind waar de juffen niet over uit konden, zo’n fijn kind in de klas.
Zo mooi en zo bijzonder.

Dat kind?

Is mijn kind.
Dat dus.

The best Borrel Ever – Ode aan mijn Collega van het Romantische Hardlopen

Ik had een borrel vanmiddag van een collega die vertrok.
Eenmaal ter plaatse bleek ik zijn enige collega te zijn die niet ooit op zijn afdeling gewerkt had.
Ik was de enige  *externe* daar.
Uitgenodigd.
Vond ik pretty damn’ special, eerlijk gezegd.
En ik vond het eng.
Maar ik kende iedereen en iedereen kende mij en ik genoot me te pletter.

Ik werk nu 50% en ik mis al zo lang heel veel van het reilen en zeilen van de toko…
Zeker als je half aanwezig bent na maanden afwezigheid nadat je dat truukje van seriously ziek en afwezig zijn vorig jaar ook al hebt gedaan is het echt moeilijk weer terug te komen, erbij te horen.
Je bent er uit, je bent uit het circuit, je hebt driekwart gemist.
Driekwart?
Voor je gevoel ben je een Alien.

Maar vanmiddag bij de borrel was ik even niet de manke.
En ook niet de ex-kankerpatient.
Ik was degene die ze kennen vanwege mijn werk.
One of the guys.
She Who Knows What She’s Talking About.
Ze is er weer, Zij met haar kennis.
Boeien, dat Been.
Boeien, die Borst.
Ze weet waar ze het over heeft.
Dat dus.

En waar ik op hoopte gebeurde.
Mijn Collega van het Romantische Hardlopen was er.
Belangrijk dat iedereen nu hier stopt en het volgende even leest:

Hier begon het allemaal met het Romantische Hardlopen (< je kan hier op klikken)

Bijgelezen? Er zijn nog 2 logs over hem, maar die zijn minder belangrijk, Google maar.

Hij is er! En we klikken en we kletsen en we snappen elkaar niet en we vinden elkaar zo leuk in dat we elkaar niet snappen.

Ineens hebben we het over volgende week, ik heb een concert.

Ik: Ik ga weer naar Iron Maiden deze week
Hij: Cool
Ik: Iron Maiden was mijn eerste concert in 1986

Hij: Ik kocht tickets voor het eerste Iron Maiden concert ooit in Nederland. Met Paul Dianno. Totaal aantal verkochte kaarten 2. Ik en mijn vriend.

Weet je, ergens kan je dan in mijn referentieboekje niet veel hoger komen.

Giving back his life

Het is een lijfspreuk aan het worden. Taking back my life.
Opkrabbelen, weer dingen kunnen doen.
Honderd procent van de invulling van mijn leven was weg, afgenomen.
Niks van wat ik normaal deed kon ik.
Niet eens mijn kinderen verzorgen.

Het is zaterdag, de Bevelvoerder werkt.
Op het programma staan de boodschappen, Draakje brengen en halen van judo en uiteraard het uitlaten van de hond.
We zitten aan de lunch als een vriendje van de Spelmaker aanbelt.
Ik hoor Spelmaker tegen hem zeggen dat hij niet kan, hij moet zijn moeder helpen.
Hij moet zijn broertje naar judo brengen.
En de hond uitlaten.

Ik loop (ja loop!) naar de gang en zeg dat hij zijn telefoon moet meenemen.
En dat hij vijf uur thuis moet zijn.
Ik deal de judo en de hond.

Het Belangrijkste onderdeel van taking back my life
is giving his back.

Ik kan mijn kind zijn jeugd teruggeven.
Dat is het fijnste gevoel dat er is.

Bijzondere ontmoetingen

Picture it. Repeldorp.
Repel wordt in de verf gezet bij de kapper.
De assistente doet de verf, Mijn Kapper, de mooiste en liefste homo van Repeldorp en omstreken zal zo knippen.
Nu knipt hij mijn buurvrouw.
De assistente vraagt hoe het gaat en we hebben het over rolstoelen en krukken en leren lopen.
Mijn buurvrouw haakt af en toe in en ik kan concluderen dat zij exact weet hoe het is om weer te moeten leren lopen
Ik weet alleen niet wat ze heeft (gehad).
Mijn buurvrouw praat ook met haar buurvrouw, die 2 kennen elkaar, dat is duidelijk.
Haar buurvrouw heeft het over haar zus die vorig jaar borstkanker heeft gehad.
Zij begeleidde haar zus dagelijks bij de bestralingen.
Voor ik het weet hebben we een intens gesprek.
We zijn de enige 3 in de zaak.
Ongeveer even oud.
Mijn buurvrouw heeft een hersenbloeding gehad, 14 maanden geleden.
Ze vecht zich keihard terug naar herstel.
Het is een heel bijzonder gesprek, een heel bijzondere ontmoeting met onbekenden.

Onbekenden?

Ze vertelt over een overleden vriend van haar.
Aldo? Vraag ik? Daar voetbalde mij man mee!
Jaren geleden.
Mijn man ook, zegt ze!
Als we namen uitwisselen zegt ze: de Bevelvoerder?
Ik was op jullie bruiloft!
Ik schiet in de lach en grap sorry dat ik haar niet heb herkend.
Mijn Kapper bemoeit zich voor het eerst met het gesprek.
Hij zet een hand in zijn zij en zwaait met zijn schaar naar mijn buurvrouw:
Ja maar, kun je je haar schitterende bruidskapsel dan niet meer herinneren?!

Met een dikke glimlach op mijn vers gecoupte hoofd kruk ik even later naar mijn auto.
Geniet van kleine dingen, heb ik van Baasje van Ben geleerd.
Binnen is binnen.
Na zonneschijn komt heus ook weer regen.
Maar als het dan een keer hagelslag regent ben je verplicht je boterham buiten het raam te houden.