Laagjes Afgepeld II: Bijzondere Ontmoetingen

Ik zeg tegen de Bevelvoerder dat ik “naar de overkant” ga.
Twee bruggen over naar het dorpje aan de overkant.

Oefenen, lopen, klimmen, dalen.

Over de Dordogne.
Ik neem foto’s, ik geniet.
Alleen.
Rust.
Ik klim, ik loop, ik train.

Ik wil klimmen naar het kasteel, maar het oude zijstraatje lonkt.
Winkelstraatje.

Ik duik binnen bij een boutique, nog geen 10 meter omhoog, overduidelijk goudsmid.
Klein.
En daar zie ik de hanger.
Dé hanger.
Ik wil een nieuwe voor aan mijn standaard zwarte ketting, al heel lang.
En ik heb tot nu toe de hanger níet gevonden.
En daar ligt hij zomaar ineens. Dat is hem. Ik weet het.

De eigenaresse van de winkel spreekt me aan in het Frans maar al snel gaat het mijn Franse pet te boven en ik vraag of ze Engels spreekt.
Na vijf zinnen vraagt ze aan me of ik Nederlands ben, in het Engels.

En we gaan door in het Nederlands.
Ze blijkt Nederlandse te zijn.
Een mooie excentrieke dame van net de AOW gerechtigde leeftijd.
Na een half uur gaan we over tot de koop.
We waren namelijk al kletsend de reden dat ik in die winkel kwam een beetje vergeten.
Ik kan niet pinnen, dus maken we de afspraak dat ik morgen terugkom.
De deal is rond.

Maar een half uur later ben ik nog steeds niet weg.

Wacht, zegt ze.
Woensdag ben ik vrij, kom rond een uur of zes op woensdag achterom naar mijn tuin.
Drinken we een rosé.
Kletsen we verder.

En, zegt ze, de hanger is symbolisch.
Denk na over wat het betekent voor jou.
Ze weet nog niks van mij.
Niks van waar het echt over gaat, in ieder geval.
Niet van kanker, niet van het ongeluk.
Niks van laagjes afpellen.
Ik vind de opmerking bijzonder.
Maar ik had het allang gezien aan de hanger.
De hanger is inderdaad symbolisch.
Alle laagjes afgepeld komend tot de kern,
is dit de hanger.
Dit ben ik.

Maar, zeg ik, ik heb Daltons, ik moet even kijken wat we gaan doen.
Ik heb limo, zegt ze.
Kom met z’n allen!
Ik zie je woensdag op mijn vrije dag.

Ik kwam terug bij de Bevelvoerder met een verhaal.
Woensdag ga ik een hanger kopen Repel Style.
Met alle Daltons erbij.

Advertenties

Laagjes Afgepeld I: Oma Muntjes

De Daltons begonnen er al een paar weken voor de vakantie over:
Zouden we nog Oma Muntjes krijgen?

Vorig jaar kregen wij namelijk vakantiemuntjes van oma.
Wij alle 5 kregen 14 muntjes,
voor elke dag van de vakantie 1.
Oma had ze heel mooi geknutseld: voor elk een pagina met uitscheurbare muntjes.
Één muntje voor elke dag.
Elk van ons vijf een eigen pagina, een eigen kleur.
Uren werk.
Met voorpret, dat weet ik zeker.

Maar noch Nederlandsche, noch de Franse Bank accepteren die muntjes.
daarom gaf oma ons een enveloppe met de totaalwaarde die de muntjes vertegenwoordigen.
Met een verdeelsleutel.
De Daltons leveren hun muntjes bij ons in, voor keiharde euro’s.
Wij leveren die muntjes in bij onszelf, voor keiharde euro’s.
Wij zijn de bank van de Oma Muntjes.

Ja, dit jaar hebben we weer Oma Muntjes.
Bijna nog mooier geknutseld dan vorig jaar.

Deze muts vergat de muntjes echter mee te nemen, we zitten er nu.
Gelukkig zijn onze Daltons een jaartje verder en weten ze dat wij de bank zijn.
En elke dag wordt er gepraat in termen van Oma Muntjes.

Extra zakgeld krijgen voor in de vakantie is het einde.
De verleidingen zijn namelijk groot in de vakantie.
Geld is leuk.
Oma Muntjes zijn beter.
Oma Muntjes krijgen is onvergetelijk.
Voor iedereen: voor ons hier en voor haar daar.

Vandaag op het terras hadden we het er over met een vergelijkbaar echtpaar.
Extra zakgeld op vakantie.
Oma Muntjes kennen zij natuurlijk niet, ze vonden het echter een fantastisch concept.
De oma van die kinderen spaart AH zegels en als ze er genoeg heeft om ze eerlijk te verdelen over de kleinkinderen deelt ze de volle spaarkaarten uit.
En de kleinkinderen kijken ernaar uit.
Leuker dan geld.
Ik wist niet dat er nog AH zegeltjes bestonden, maar dat terzijde.

Het concept Oma Muntjes werkt, bij deze aantoonbaar bewezen.
Ik vind de steekproef groot genoeg.

Laagjes afpellen

Ben is rustig. Erg rustig.
Hij is blij me te zien. Nu ik zelf een hondje heb, weet ik dat hij me herkent.
Ik herken zijn “mij herkennen”.

Dat het uitloopt daar in de hal bij Baasje van Ben vind ik niet erg.
Ik hoor de client voor me lachen in die kamer en ik vang bij vlagen flarden van kwarten van zinnen op. Omdat zij lacht.
Ze is nieuw. Dit is haar eerste keer, ik merk dat op.
En ik weet uit ervaring dat de eerste keer dat je als (ex-)kankerpatiënt bij haar komt

als thuiskomen voelt.

Een veilige haven in het woud van kanker (en post-kanker).
Haar lach doet me goed.
Ik ken haar niet, maar ze heeft/had kanker en ze lacht want ze kwam terecht bij Baasje van Ben en ze weet nu al dat het goed komt. Of niet. Maar in het koppie wel.
Ik zie haar de kamer uitkomen en schrik. Ze moet minimaal 10 jaar jonger zijn dan ik.

Ik heb al met het Mannenbaasje van Ben gepraat en ik weet dat hij (Ben) ziek is.
Na mij gaan ze naar de dierenarts.
Ben eet niet sinds gisteren.
En ze hebben een feestje daarna.
Baasje van Ben verontschuldigt zich dat het uitliep.
No Problem!
Het eerste dat ik zie zijn de Killer Heels van Baasje van Ben.
Zij noemt het de voordelen van een rolstoel, die Killer Heels dragen.
Zij kan alles aan.
Ze verontschuldigt zich dat ze overdressed is, maar een tweede keer omkleden kost teveel energie.
Ik blijf maar kwijlen over haar schoenen.
Geef me 2 maanden dame, en ik loop op 2 keer dat plus 2 centimeter!
(Uitgesproken woorden, uiteraard!)

We gaan zitten en ze vraagt hoe het is.
Voor de eerste keer heb ik de inzichten zelf.
Maar ik breng het als een vraag: is dit niet stom?
Maar zij geeft me de bevestigende context dat het hoort bij het pad dat ik volg.

Hardlopen was geen hobby. Het was een groot deel van wie ik was, en heeft me daarbij geholpen te overleven in 2012.
Nu ben ik geen hardloper meer.
Een half jaar lang was ik invalide met een hele dikke stempel.
Nu niet meer.
Ik ben geen invalide meer, maar ook geen hardloper.
Wie ben ik dan?
Mijn baanonzekerheid is groot.
Kans is groot dat ik binnenkort niet meer de expert ben op mijn vakgebied.

Er worden lagen na lagen van mijn identiteit gepeld.
Ik heb een idee wat ik zou willen in de toekomst, maar daaraan denken geeft aan dat ik moet afscheid nemen van een stukje identiteit.
Weer een laag weggepeld.

Als je lang genoeg pelt.
Wat blijft er dan over?
Niets?
Nee.

Ik.
Ik. Zonder alle afgepelde rollen.
Zwevend. Een zwevend vlokje.
Ik ben een heleboel niet meer.
Wat ik ga worden weet ik nog niet.
Maar zonder alle rollen…..ben ik.
Ik ben.
Ik ben.
Mijn been ook.

“Ik geloof dat ik bang ben toe te geven dat ik er stiekem heel veel zin in heb, ik geloof dat ik bang ben toe te geven dat er ernaar uit zie.
Dat toegeven betekent afscheid nemen.
Opnieuw, van het volgende.
Het worstelt in me.
Ik heb al zoveel afscheid genomen.”

Belangrijkste is dat ik nu een appje ga sturen hoe het met Ben gaat.

 

Gastlog: Vijftig tinten oranje – aflevering 38

Mijn collega die me hielp bij mijn businesplan (je weet wel, dat van die kaas) gaf me toestemming haar “Vijftig tinten oranje” hier te plaatsen. Als gastlog. Het verhaal is geschreven ergens eerder dit jaar. Een poosje na de actualiteit van toen vind ik het nog steeds even grappig. Sterker nog: grappiger. Wie vaker een gastlogje van haar wil, say “aye”!
——————————-

Wat vooraf ging: Wim verruilt in een opwelling zijn grootste hobby voor zijn andere favoriete tijdverdrijf (hij noemt het, met veel aplomb, ‘watermanagement’) en laat daarbij zijn vrouw Blondie in hulpeloze toestand achter. Omdat Wim tóch al in het juiste materiaal is gehuld, kan hij zich onmiddellijk gaan uitleven en zo vergeet hij alles om zich heen. Ook Blondie…..

Vijftig tinten oranje – aflevering 38
‘PÁPPA!’ Insurantia stampvoet van woede en schreeuwt naar haar vader die niet wil luisteren en, geknield op de keukenvloer, driftig door-schrobt. ‘Ja wát nou’ snauwt Wim. ‘Irri vieze luier, ‘Irri huilen’ zegt Insurantia, de middelste van drie meiden. Wim zucht. Irrelevantia huilt altijd Insurantia bemoeit zich met alles en Ignorantia, de oudste, doet nooit een mond open. Stomme namen eigenlijk, denkt Wim. Het leek zo grappig toen hij triomfantelijk ‘triple I’ riep na de geboorte van Irri. Hij wist toen zelf niet precies wat hij daarmee bedoelde, maar later hoorde hij dat vrienden het hadden opgevat al opschepperij. Zoiets van ‘allemaal door mij voor elkaar gebokst’ en dat ze d’r juist dáárom aan waren gaan twijfelen. Want die Blondie, nou, nou, dat is me d’r een. Mooie vrienden! Zo komen geruchten in de wereld, denkt Wim, en die roddels blijven dan generaties hangen.

‘PÁPPA!’ roept Rantia, ‘moeten luistere!’. ‘Vraag maar aan je moeder’ zegt Wim en ziet met een zucht van opluchting zijn dochter de trap oprennen.
Weldadige stilte keert terug in de keuken, slechts verstoord door Wims ingespannen hijgen, het schuren van de borstel over het vinyl en het zachte geklots van het water in de emmer.
Daar is Rantia weer. O god, denkt Wim, Waarom moest ik nou zo nodig trouwen en seks hebben? Waarom was water niet voldoende? Waarom moest er nou zo nodig nóg meer rubber wezen? Zóveel rubber en dan toch nog niet genoeg. Stelletje rot-meiden.
“Ja, wat nou weer” buldert hij. Insurantia krimpt in elkaar en Wim hoort Irri nu inderdaad luidkeels jammeren in de kinderkamer. ‘Mamma nie vinde’ snike Rantia. ‘Mamma weg’. Wim verstijft. Zijn tot aan de mollige ellebogen in de roze gummi gestoken armen hangen plotseling bewgingloos in het lauwe sop. Wáár is Blondie? Waar waren we toen de spanning te groot en de lust tot boenen te sterk werd? Was ze al vastgebonden? Ja – waarschijnlijk wel want anders was ze zelf allang tevoorschijn gekomen. Waarom roept ze niet? Oh nee. Natuurlijk niet. Dat nieuwe maskertje…..maar WAAR? Dat lelijke takke-huis is ook veel te groot. En dan nog die tuin en het prieel, de wijnkelder, de theekoepel, de stallen, het boswachterhuis, de vleermuisbunker, de schuur, de kennel, nog een schuur, drie garages….

De deurbel onderbreekt Wims wanhopige mentale zoektocht naar de verblijfplaats naar zijn vrouw. ‘Ikke opedoen?’ vraagt Rantia. ‘Ja, toe maar’ zegt Wim en het kleine meisje dribbelt naar de voordeur. ‘ÓMAAAAA’ hoort Wim – Insurantia is opgetogen, maar Wim schrikt. Zijn moeder heeft commentaar op alles, op álles. En nu zal ze hem op de natte vinylvloer zien zitten, bezweet, roze, en gekleed in niets anders dan rubber laarzen, een plastic schoortje en gummi handschoenen. En ze zal vragen waar Blondie is en dat weet hij dan niet en ze zal Irri horen huilen en de vieze luier ruiken en merken dat Ignorantia nog steeds haar Jip&Jannekeboek niet begrijpt. Ohgottegottegot. WAAROM moest ze juist nú komen. Wat moet ze hier! Ze heeft d’r eigen huis! We hadden nooit zo dicht in d’r buurt moeten gaan wonen! Stiekem is Wim bang voor zijn moeder en als hij paniekerig overeind krabbelt glijdt hij uit op de gladde vloer en klapt wijdbeens achterover terwijl zijn schortje een niets-verhullend positie inneemt.
‘WIM! wat doe je dar in vredesnaam!’ De altijd overerven deftige stem van Wims moeder snerpt door de keuken. “Waarom zijn jullie nog niet klaar? Waar is Blondie? Waar is de babysit? We moeten weg, Wim! Vanavond is het etentje met het personeel. Om te vieren dat jij de zaak overneemt. Dat ben je toch niet vergeten? Oh, Wim! Soms vraag ik me echt af of ik hier wel goed aan doe. Je bent ook altijd zo onverantwoordelijk. Kijk nou eens naar jezelf! En waar is Blondie?!”
Wim luistert maar nauwelijks, behalve naar die ene vraag: Waar is Blondie.
“Ik weet het niet, mam”, kermt hij, en begint te huilen.

Volgende keer in 50 tinten oranje: wordt Blondie op tijd gevonden? Krijgt Irri haar schone luier? Komen Wim en zijn moeder nog op tijd voor het feestelijke etentje? Neemt Wim de goedlopende zaak van zijn moeder over? Wat gaat dit betekenen voor zijn huwelijk met Blonde en……waar blijft de baby-sit?

Businessplan Repelstyle

Lopend met mijn Bud door de leukste winkelstraat van Nederland (<– dit is een klikbare link), kwamen we langs een kaaswinkel. Kaasfreak, Kaasjunk, Zij Wiens Kinderen Niet Aan Eén Tafel Willen Zitten Met Haar en Heur Kazen, schoot naar binnen en proefde alles wat los en vast zat.

En toen sloeg het noodlot toe.

Ik proefde die kaas. Die ene. En ik was verkocht. Kansloos, resistance is futile verkocht. Boeren Truffel Kaas. Ik kan het niet eens typen zonder te kwijlen.
Ik kocht *dus* meteen een halve kilo en realiseerde me dat ik nu een probleem heb.
Want wat nu als dit stuk op is. Leeuwarden ligt niet bepaald om de hoek van Repeldorp. Tel 342 kilometer aan benzine op bij de kiloprijs en je eet het equivalent van kaviaar. En ik lust geeneens kaviaar.

Babbelend met mijn favoriete vrouwelijke collega vandaag die de meest briljante satirische 50 tinten oranje heeft geschreven maar dit terzijde en wellicht later hierover meer kwam het op deze Kaas Der Kazen en ik beloofde volgende week voor haar een stukje mee te nemen om te proeven en ik deelde mijn probleem. Mijn “En Wat Als Het Op Is” probleem.

En samen kwamen we al discussiërend tot een oplossing. Wat zeg ik: dé oplossing.
(1) Afgewezen optie: het mes op de keel van mijn kaasboer zetten: Jij gaat dit verkopen.
(2) Afgewezen optie: stukje kaas meenemen naar mijn kaasboer en zeggen: Dit ga jij veel verkopen, trust me on this one.
(4) Net aan afgewezen optie: dat en provisie vragen.
(5) De goedgekeurde optie: ik start mijn eigen bedrijf.

Als investering rij ik eenmalig op eigen kosten naar Leeuwarden om een stuk van de Kaas der Kazen te kopen. Dit stuk eet ik niet zelf, maar laat ik aan iedereen in mijn omgeving proeven. Desnoods rijd ik nog een keertje op eigen kosten voor een tweede stuk om ze echt verslaafd te maken. Die kosten haal ik er wel uit.

Vervolgens zeg ik tegen iedereen dat ik aan die kaas kan komen. Voor wèhnig.
En wat houdt “wèhnig” in?
Als ik maar voldoende mensen vind, wordt het rendabel: ik gooi een ietsje op de kiloprijs die de kaaswinkel rekent, voldoende om de benzine en afschrijving van de auto te dekken en een stukje winst.
Ik laat de mensen wel intekenen en vooraf betalen, anders zit ik met 7 kilo kaas voor niks met een beetje pech.
In eerste instantie is de meerwaarde dat ik mijn eigen stukkie kaas kan kopen voor niet de prijs van kaviaar. Wellicht wel gratis, als ik voldoende verkoop.
Maar met mond op mond reclame gaat het rap en voor ik het weet verkoop ik voldoende om regelmatig heen en weer te rijden. Dit kost mij een werkdag, dus ga ik minder werken en moet de marge op mijn prijs voldoende zijn om dit verlies aan salaris te dekken. Het liefst met een beetje winst.
Ik houd het allemaal zwart en onder de pet, want anders moet ik ook weer voldoen aan de Voedselwarenwet en dat soort bizarre regels en moet ik mijn koeling 3 keer per dag op de juiste temperatuur checken en nog meer gedoe met hygiène en zo. Nee, dat kost me allemaal teveel.
Om de kosten nog verder te dekken en de juiste mate van kleinschaligheid te veinzen, zorg ik voor de juiste mate van intimiteit met mijn klantenkring: heb je toevallig nog vrienden in het hoge noorden, heb je een huisje op de eilanden…..kunnen zij af en toe een bestelling van vele kilo’s voor me meenemen. Scheelt mij 342 kilometer! Eerst dacht ik nog dat ze dat dan bij de kaaswinkel zelf gingen afhalen, en om te voorkomen dat ze daar vervolgens voortaan zelf gingen kopen, zou ik ze een voorraad aanbieden voor de helft van de kaaswinkelprijs, maar ik bedacht me later dat dat niet slim is. Mijn kaaswinkel daar in die leukste winkelstraat van Nederland is mijn geheim. Nee, ik bedacht me later dat dat pakket ergens ligt in de buurt klaar moet liggen. Ze mogen weten dat ze De Kaas halen, maar waarvandaan is niet zo handig om prijs te geven. Nu nog even verzinnen wat die plek moet worden.

Mensen: dit plan is waterdicht!

*Disclaimer die het logje een heel stuk minder grappig maakt, maar wel de juiste Nerderigheid die Repelwaardig is toevoegt: Repel doet handig wezen met Google en via de korst van haar stukje kaas heeft zij en haar Internet allang de groothandel gevonden waar De Kaas Der Kazen vandaan komt. En dat is vele malen dichterbij dan Leeuwarden. Daar gaat mijn winst…