Afscheid van Baasje van Ben

We kijken elkaar aan.
Zij met haar gebruikelijke optimistische blik.
Optimistisch dekt de lading niet.
Oprecht. Open. Verdragend. Open vizier.
Professioneel. Kundig. Analytisch.
En bovenal vriendelijk. En optimistisch.

Ik moet de woorden uitspreken.
Ze heeft me geleid naar dit punt.
Hoe fijn ik het ook vind bij haar te komen.
Hoe vertrouwd ik het ook vind bij haar te komen.
Hoe dierbaar ze me ook is geworden.
En hoe eng ik het ook vind om zonder haar door te gaan met mijn leven.
Maar uitspreken moet ik het.
“Ik geloof dat ik er ben.”
Of woorden van die strekking.

Ik wandelde bij haar binnen na de bestralingen in 2012.
Omdat ik niet kon landen in het leven na kanker.
Toen ik me na kanker geen plek wist in het dagelijkse leven.

En toen ik heel hard op weg was kreeg ik het ongeluk.
Knokken voor leven kreeg een andere dimensie.
Gelukkig had ik nog steeds Baasje van Ben.
En dus bleef ik wat langer hangen bij haar.

En bij Ben.

Hoe grondig de haat voor wachtkamers was tijdens de bestralingen.
hoe grondig Ben die haat heeft doen verpulveren.
Ik had de leukste wachtkamer ter wereld.
Met Ben.

Ik nam vandaag afscheid van Baasje van Ben.
Zij en haar side kick in de wachtkamer hebben me lessen geleerd.
Zij is de grootste reden dat ik er mentaal beter uit ben gekomen.
Zij is de reden dat ik nu wel kan landen in het leven terug.
Ik kreeg de mooiste woorden ooit van haar mee.

Het voelt een beetje alsof een dochter op kamers gaat.
Maar mocht je een keer een zak vuile was hebben,
dan mag je hem altijd komen brengen.

Advertenties

Want dat zou saai zijn

Vandaag ging ik voor het eerst naar kantoor sinds ik ben ontijzerd.
Wondpijn. ja.
Nog af en toe bloedend, ja.
Knieschijfpijn, ja.
Nog met hechtingen, ja.
Maar zo ontzettend verlost van de pen dat ik zweef.
Ik kan draaien, een bocht maken al lopend.
Ik kan normaal de auto in stappen.
Ik kan uitwijken als iets op mijn pad komt.
Ik kan de normale loopstap helemaal maken zonder dat rare belemmerende gevoel.

Verlost van die pijn die ik 9 maanden en 16 dagen heb gehad.
Die wond- en kniepijn gaan wel over.
En dan ben ik pijnvrij.

Met dat gevoel loop ik mijn kantoor in.
Ik word zo warm verwelkomd door mijn collega’s dat ik ontroerd ben.
Ze komen binnen en ze willen al mijn ijzer zien.
Werkelijk elke collega die ik zag kwam naar me toe.
En mijn werkroomy zegt het nog eens expliciet:
Fijn dat je terug bent.

Met dat gevoel haal ik de laatste boodschapjes vandaag.
Ik ben op weg het winkelcentrum uit en ik loop langs een stand.
Een stand van Make a Wish Nederland.
Ik ben al bij de roltrappen als ik me bedenk.

Ik loop terug.
“Hoe kan ik donateur worden?”
Voor *ugh* euro in de maand ben ik nu donateur.

Ik heb de laatste tijd veel gehoord “karma’s a bitch”.
Ik benader het liever via de positieve insteek.
Mijn motto is wat mijn oude vriendin eens zei:
Je krijgt wat je verdient. Maar niet perse van dezelfde persoon, want dat zou saai zijn.

Lieve iedereen.
Lieve iedereen die me kaartjes hebben gestuurd,
die lieve woorden hebben gehad,
dingen opzij hebben gezet voor mij.
Iedereen die een kaarsje heeft gebrand,
die aan me gedacht heeft.
Iedereen die me heeft geholpen.
Iedereen die de Bevelvoerder heeft geholpen.

Ik hoop dat een kind mede door jullie daden de dag van zijn of haar leven gaat hebben.

De hel die ziekenhuis heet

Ik ben bij de operatie op mijn verzoek bij kennis.
Met een pufje propofol door mijn infuus voor de zenuwen.
De dosis propofol die ik krijg, maakt mij voor mijn omgeving erg irritant.
Ik verlies namelijk niet mijn geestelijke noch mijn analytische vermogens.
Maar ik waan me wel de leukste thuis.

Dus ik voer een inhoudelijk gesprek met mijn chirurg over de operatie en leg hem vervolgens uit waarom ik hem dokter Bud noem.
*kuch*

Op de verkoeverkamer waan ik me ook held.
Zodra de ruggenprik navelniveau heeft bereikt mag ik naar de zaal.
Ik. Heb. Honger.
Ik voel me superheld.

Rond 3 uur begin ik de wonden te voelen.
Ik bel de pleeg en krijg 2 paracetamollen.

Rond 6 uur ben ik geen held meer.
De pijn doet me februari herleven.
Ik bel de pleeg.

Nee. Ik mag niet meer pijnstilling.
Ik heb om half 4 al gehad.
Bij de avondronde van 8 uur ben ik de eerste.

De avondronde loopt uit.
Pas om half 10 krijg ik weer 2 paracetamol.
Ik ben 2 stiekeme huilbuien verder.

De nacht is hel.
De pijn is zodanig dat ik geen houding kan vinden waarin de pijn minder is dan afschuwelijk.
Oorproppen in vanwege het geluid van mijn Overbuuv.

Ik ben zwak en gehoorzaam en ben niet helder.
Ik durf de verpleging niet te bellen.
Er was nee gezegd.
Als je uit een operatie komt ben je niet helemaal Jezelf.

Om half 6 ’s ochtends komt een andere pleeg de kamer in voor mevrouw Stoffels.
Ik huil.
Ik lig al de hele nacht te huilen.

Ze ziet me en troost me en vraagt waarom ik niet gebeld heb.
Ik ben zwak en heb pijn en durf niet te zeggen dat de “nee” van half 6 monddood heeft gemaakt.

Ik krijg paracetamol en diclofenac.
En ik word toegestopt.
Met de bel in de buurt.
Als het niet werkt, moet ik bellen.
Want ik dan mag ik nog “een prik”.
Ik mocht namelijk al die tijd al heel veel meer aan pijnstilling.

Was allemaal al voorgeschreven.

Of ik nog wat te melden heb, volgens het evaluatieformulier.
Ja.
Met tijdstip dat die kuttekop dienst had erbij.
De voorschriften en recepten lagen er.
Ik heb nu genoeg pillen nu liggen waar ik niks aan heb.
Die nacht had ik ze nodig.
Die nacht heb ik het ongeluk weer herbeleefd qua pijn.
Een kutpleeg besluit dat zij slimmer is dan het recept dat de dokter uitschrijft.
Zelfs zonder propofol
#ikrukhaarhoofderaf

.

Meneer Verdoe-hoes

In februari na het ongeluk was het meneer Verdoes die mijn bestaan in het ziekenhuis domineerde.

Mijn buurman op zaal. De eerste weken.
Mijn bejaarde buurman die zo ziek en zo verhospitaliseerd was.
Een drama voor mij, in mijn referentiekader, op dat moment.
Zijn lieve vrouw had mijn zonen al geadopteerd als kleinkinderen, de schat.
Het werkelijke drama was voor haar. Hmm. En voor hem. Als ik eerlijk ben. Nu achteraf.
Meneer Verdoes was het zieke(nhuis) leven zo beu dat hij niet meer aardig was.
Meneer Verdoes klaagde heel veel.
Alleen maar. De hele tijd.
Arme meneer Verdoes.
Maar die empathie had ik niet in huis op dat moment.
Ik haatte meneer Verdoes.

Meneer Verdoes was zo ziek dat de verpleging bij binnenkomst altijd moest roepen om hem bij bewustzijn te krijgen: “MENEER VERDOE-HOES?”
Ik kan het nog horen, zo vaak heb ik het horen roepen.
De stem van een jonge verpleegkundige die met professionele desinteresse roept. “Meneer Verdoe-hoes?”

Deze keer had ik mevrouw Stoffels.
Ik had mijn gordijn dicht. Hield mijn gordijn dicht.
Mevrouw Stoffels kermde heel veel.
Was heel ziek.

Mevrouw Stoffels is zo ziek dat de verpleging bij binnenkomst altijd moet roepen om te controleren of ze nog bij bewustzijn is. “MEVROUW STOFFELS?”
Mevrouw Stoffels heeft minimaal ugh keer intensieve zorg nodig gehad, die ene nacht dat ik er was. In mijn ogen heeft ze ugh keer bijna het loodje gelegd en heeft de verpleging haar er doorheen gesleept.
Ik sliep niet van de pijn omdat ik…nee, dat is voor een volgend logje. Punt is dat ik niet sliep en mevrouw Stoffels op het randje lag.

Meneer Verdoe-hoes was onaangenaam. Mevrouw Stoffels had pijn.

Ik heb op de bel gedrukt toen het niet goed ging ’s avonds.
Pleeg kwam: wie heeft er gebeld?
Ik: ik belde voor haar.

Ik heb op de bel gedrukt toen ze lag te huilen om 5 uur ’s ochtends.
Ze was te zwak en te verdrietig om zelf de bel te vinden.
Pleeg kwam: wie had er gebeld?
Ik: ik belde voor haar.

Mevrouw Stoffels weet dat allemaal niet. Mevrouw Stoffels was beide keren best ver weg.

Toen ik in de ochtend lag te huilen van de pijn liet een lieve pleeg me na de nodige zorg lekker liggen.
Ga nog maar een uurtje slapen, zei ze.
Maar toen ging het infuus van mevrouw Stoffels.
Ik drukte op de bel.

Ze moeten het druk gehad hebben, want het duurde best lang voor ze kwamen.
Zo lang dat mevrouw Stoffels zelf de bel ging zoeken.
Huilend.
Rustig maar, zei ik, ik heb ze al gebeld.

De pleeg kwam: wie heeft gebeld?
Ik: ik, ik belde voor haar.

Meneer Verdoe-hoes is niet zo lang na mijn ontslag in februari overleden.
Dat hoorde ik pas veel later.
Arme mevrouw Verdoes.

Mijn Bevelvoerder haalde mij op met de rolstoel.
Mevrouw Stoffels was bijzonder alert.
“Tot ziens, het ga u goed!” Ik zei het met alle oprechtheid.
Mevrouw Stoffels glimlachte.
“Dank je wel voor het bellen.”

Ze moest eens weten….
Nee, dat hoeft ze niet.
Toen ik incheckte de dag voor mijn operatie zag ik mevrouw Stoffels haar haar kammen en in een mooie klem doen.
Dat beeld wil ik onthouden.
Ook als ik hoor dat mevrouw Stoffels er niet meer is.