Van je collega’s moet je het hebben….

Mag ik mee?

Ze vraagt het met een ongelukkige blik in haar ogen.
We zijn mensen aan het verzamelen voor de lunch en zij staat “matig toevallig” in een van de kantoren op onze afdeling.
Ze werkt al een poosje volgens het organigram al niet meer op onze afdeling, maar sinds een nog korter poosje ook niet meer fysiek.
Maar lunchen doet ze nog heel graag met ons.
Ik snap het helemaal, dat ze met ons wil lunchen, zelfs al was ze niet ongelukkig geweest met de sfeer op de nieuwe afdeling.

Onze afdeling heeft iets.

We zijn een stel karikaturen bij elkaar en we houden ervan elkaar te jennen, zeker tijdens de lunch, maar er is een diepgeworteld vertrouwen dat het veilig is. We respecteren elkaar bovenal om de kwaliteiten die we in elkaar zien en we grinniken tegelijkertijd op een liefkozende wijze om elkaars rariteiten. Elk van ons heeft wel een kerfje of wat op zijn of haar kerfstok en op een rare tedere manier houden we rekening met elkaars littekens en gevoeligheden. Soms gaan we tot het randje en soms gaan we er net overheen. En we kunnen het nog steeds hebben over die ene keer dat die collega echt boos weg liep. Met dienblad en al. Toen gingen we serieus over het randje. We weten het allemaal nog exact. Toen gingen we echt te ver. Maar vandaag was niet zo’n dag.

Vandaag zat “degene die niet echt meer bij ons zit” te praten over de rare gewoontes op die nieuwe afdeling. Vandaag zat “degene met de ex” zo trots als een pauw aan tafel omdat zijn favoriete nichtje een kind had gekregen. Scheelde emotioneel niet zo gek veel van opa worden, zo leek het. Vandaag misten we “degene met de mooie vlammende ogen” omdat ze verplichtingen elders had.  Vandaag deed “degene met de scherpe tong met de glimlach” exact wat ze altijd zo goed doet: die ene vraag met een lach openlijk stellen die iedereen zich inwendig al afvroeg maar niet durfde te stellen tijdens een willekeurig verhaal. Vandaag zat “degene die het altijd heeft over haar kinderen en nu in scheiding ligt” er niet stil bij, dat kan ze namelijk niet, maar ze observeerde wel meer dan dat ze sprak.

Degen met de ex stipt het letterlijk aan deze lunch: wij zijn bijzonder. Ik hoop dat iedereen aan tafel het in de gaten had. Ik in ieder geval wel.

Ik moest snel weg van de lunch omdat ik een presentatie moest geven bij een andere afdeling. Op verzoek.

Ik startte aldaar de computer en het scherm op en de eerste kwam binnen. “Hoezo ben jij hier?” Ik leg vrolijk uit dat ik op verzoek ben van een van zijn collega’s die dacht dat het inhoudelijk best een goed idee was dat ze mijn verhaal zouden horen.

Hij: “Oh, dus een eenmans actie van iemand zorgt ervoor dat dertig man (met de nadruk op tig, derTIG man) moeten luisteren naar jouw verhaal, zonder dat iemand heeft gevraagd of we erop hebben zitten wachten?”

Ik, totaal uit het lood geslagen, stamel dat ik er niks aan kan doen en dat ik ook alleen maar gevraagd ben. Ik ben stiekem echt heel slecht in het reageren op dit soort besteklades in mijn rug. Wat zeg ik: borstkas.

De computer doet het vervolgens niet, ik moet afhaken vanwege techniek, en ik moet terug naar mijn bureau en voel me een kind uit de 4e. “Wendy moet wat minder druk doen dan krijgt ze een voldoende”. Zo voel ik me.

Een half uur later word ik gebeld. Er is een nieuwe computer geregeld en of ik nog wil komen. Ik steek mijn verhaal af met iets minder vrolijkheid vanwege die twee ogen in de zaal, maar ik steek hem af met de passie die me eigen is. Het is goddulleme wel MIJN verhaal!

Even later terug op mijn plek krijg ik een mail van een iemand uit de zaal die had genoten van het verhaal en me bedankte voor de flexibiliteit toen de techniek het liet afweten. En ik denk aan de woorden van mijn collega en ik denk aan mijn collega die niet meer bij ons werkt. Ja. Je collega’s maken alle verschil in een wereld waarin je het grootste gedeelte van je wakkere uren met hen doorbrengt. En wat ben ik blij met hen.