De rugzak van Anne

Na een etmaal uithuizig kijk ik naar mijn post en ik kijk naar het nieuws.
De post. Jodiumtabletten krijg ik binnenkort thuis gezonden. Of ik mijn post in de gaten wil houden. In case of nucleair ongeval. I roll my eyes al is er niemand om het te aanschouwen.
Ik kijk naar het nieuws. Rugzak Anne mogelijk gevonden. Ik snap het taalgebruik, maar de kans dat exact eenzelfde verlaten rugzak op een plek als die toevallig oppopt (samen met een mogelijke fiets en een inmiddels bewezen jas) en niet van Anne is, is een leuke om uit te rekenen. Er zijn tegelijkertijd om slechter berekeningen mensen onschuldig veroordeeld, aan de andere kant. Mensen zijn slecht in het correct uitrekenen van kansen. En nog slechter in het inschatten ervan. Enfin, zo dwalen mijn gedachten.
Tijn is ondertussen in het donker naar het huis van zijn vader gefietst om speelgoed te halen. Ik verwacht meer dan een selfie van hem: al is het maar een kilometer, ik wil horen hoe laat hij vertrekt van dat lege donkere huis op weg naar hier.
Jodiumtabletten? Nucleair ongeval? Rugzak mogelijk van Anne?
Ik weet dat mensen slecht zijn in het inschatten van risico’s, nog slechter dan het inschatten van kansen maar ik heb mijn rekensommetje al gemaakt. Professionele achtergrond of moederachtergrond of niet.
Tijn is thuis met een diepe puberzucht vanwege die (hij rolde vast ook met zijn ogen) overbezorgde moeder. Maar ik ben godzijdank niet de moeder van Anne.
Enfin, zo dwalen mijn gedachten.
Advertenties

Tessa

In mijn flat wonen (ik heb er al vaker over gelogd) stokoude weduwen en gescheiden vrouwen. En elke keer als er een oude weduwe het loodje legt stoppen ze er een gescheiden vrouw in. Eigenlijk zijn wij dus het Walhalla voor datende mannen van elke leeftijd, bedenk ik me. Maar goed, dat terzijde.

Een van de stokoude weduwen vind ik soms niet zo vriendelijk doen. “Ik ga mee hoor,” roept ze bijvoorbeeld, terwijl ik zou hebben gezegd “zou je de lift even kunnen tegenhouden voor me want ik loop niet zo snel”. Ze zei ook een keer “deze moet er ook bij”, terwijl ze me haar vuilniszakje aanreikte toen ik bij onze vuilcontainer stond. Ik weet dat ze heel slecht ter been is en het drempeltje naar de container niet kan nemen, ik zou het toch wel spontaan hebben aangeboden. C’est le ton qui fait la musique, niewaar?

Enfin. Gisteren liep ik de trap op toen ik haar de trap omlaag zag komen. Heel moeizaam en behoedzaam zoals ze altijd doet, stokoud als ze is. Ik zag dat ze een heel mooie jas aan had. Bloedrood, echt schitterend. Ik zei er wat van en keek haar aan en zag toen dat ze een grote bloeduitstorting rond haar oog had, net zo bloedrood als haar jas.

“Hemel wat is er gebeurd?”, riep ik uit. Ze vertelde dat ze was gevallen en dat ze zes uur op de eerste hulp had gezeten. Ze had overal verwondingen. Ze liet haar hand zien die afschuwelijk was gezwollen en blauw-zwart zag. Het arme mens. Ik durfde niet te zeggen dat het een godswonder was dat ze niks had gebroken. Ik stamelde dat als er iets is dat ik kon doen, ook voor de toekomst, ze kan altijd aankloppen……zo’n verhaaltje. “Ik ben Wendy, van nummer negen.” En toen zei zij “Ik ben Tessa. Van nummer veertien.”

En toen was ze ineens geen stokoud dametje meer dat soms niet zo vriendelijk doet. Toen was ze ineens een Tessa. Van nummer veertien.