Dam to Dam Repel Style *Ode aan mijn Collega van het Romantische Hardlopen*

His side of the story

Ik loop op maandagmorgen het kantoor in.

Damn’, zijn kamer is nog donker.
Maar zodra hij, Mijn Collega van het Romantische Hardlopen (Google maar, er staan 4 verhalen over hem), mijn kamer binnen loopt, schiet ik hem aan.
Ik: Ik heb de hele Dam tot Damloop aan jou moeten denken!
Hij kijkt me vertwijfeld aan (“wat moet ik hier nu weer mee”).
Ik: Je duikt na de start natuurlijk die IJ-tunnel in en dan verliest je gadget z’n GPS!
Hij begint te grinniken. Vindt ‘ie leuk, zie ik nu al.
Ik: Maar dat Nike horloge pikt de pace na die tunnel nooit meer op, na die tunnel zie je niet meer hoe hard je gaat.
Alleen maar hoe veel tijd er verstreken is. En bij de Dam tot Dam geven ze geen kilometerpunten aan, dus je weet niet hoe hard je gaat en waar je bent!
Hij glundert inmiddels.
Ik: Tot overmaat van ramp word ik vlak na die tunnel ingehaald door iemand en die stoot tegen me aan. Even later kijk ik op mijn horloge. Mijn horloge zegt “PAUZED”. Wat nou PAUZED? HELP? Nu weet ik niet eens meer hoe lang ik onderweg ben!
Hij (triomfantelijk): Dus toen moest je op gevoel lopen!
Hij: Repel, Ik zweer je, vroeger of later, het kost je een paar jaar maar dan begrijp je het! […]
We gingen nog even door. Hij begreep in ieder geval waarom ik de hele Dam tot Dam aan hem moest denken.

My side of the story

Ik kijk naar mijn horloge. PAUZED.
Ik was al ongelukkig dat ik niet wist hoe hard ik ging.
Het was warm, te warm was ik bang, ik kan niet tegen warm en ik had geen idee hoe hard ik ging.
Blaas ik mezelf op?
Ik had de man zelf niet zien liggen in die IJ-tunnel, maar de ambulance wel gezien.
Nog voor ik de tunnel in ging.
God, het is weer zo ver warm. Er gaan weer mensen vallen bij bosjes en ik kan niet tegen hitte. Ga ik te hard? Mijn zenuwen spelen me parten. Post-ongeluk-totaal-gebrek-aan-zelfvertrouwen.
Ik zet mijn GPS dan maar uit, dan fliept hij op de tijd en dan weet ik in ieder geval hoe laat het is en ik weet ongeveer hoe laat ik onder START doorkwam…indicatief dan maar. Hopelijk geven ze 5, 10 en 15 km punt weer.

Een mens denkt wat af in die eerste 2 kilometer.

Dan nadert het 5 kilometerpunt.
Ik zie het aangegeven, ik zie de matten voor de chipregistratie in je startnummer.
Ik doe vast ergens *blieb* in de registratie.
Ik kijk hoe laat het is en kan het niet geloven.
Ik reken. Het is 12:32 PM zegt mijn horloge. Ik startte om 12:04 PM officieel, tijdvertraging erbij….
Mijn brein gaat heel snel, ik ben blij dat de foto’s het weergeven. Ik kan niet geloven dat ik dit loop, post-ongeluk, maar ik loop het.
En blijkbaar op gevoel want ik loop het al 5 kilometer en volgens mij loop ik constant. Okay, we gaan op gevoel door. Damn’ you Repel, dit tempo to the finish! d.e.t.er.m.i.n.e.n.d.

Bij de matten van 10 kilometer zet ik mijn horloge weer aan: nieuw loopje.
Ik wil nu graag weten hoe hard ik ga omdat ik niet wil vertragen. Ik weet nog steeds niet hoe ver ik ben na die 10, maar ik wil tempo houden. Ik heb een steuntje in de rug nodig. Ik ben gestopt bij drankpunten en koolhydraatpunten, nu niet meer stoppen, deze post-ongeluk-PR is mijn!

Bij 15 kilometer weer sirenes, ik moet aan de kant, ik moet weg, loper op de grond. Een donkere man. Maar hij ziet grijs.
Ik zie vandaag terug aan mijn GPS van dat stukje dat ik daar heb stilgestaan.
Zowel mijn brein als mijn lijf.
Ik had geen hartslagmeter, maar ik voelde hem bonken tot in mijn nek en het deed pijn.
Ik ga door. Mijn been heeft moeite weer te starten, ik voel het. Mijn been heeft genoeg gehad.

Ik heb dankzij hoe laat het is en mijn tempo sinds de 10 kilometer enig idee waar het schip gaat stranden. Ik knok me te pletter.
Mijn Collega van het Romantische Hardlopen weet dit gelukkig allemaal niet.

Ik loop een tijd waar ik voor het ongeluk een minachtend schouderklopje voor had gegeven: “knap hoor, tap tap tap”.
Ik loop een tijd post-ongeluk waarvan ik letterlijk moet huilen omdat ik dit nooit had gedacht dit ooit weer te kunnen.

The picture side to the story

Ik haat loopfoto’s van mezelf. Always have, always will.
Maar hier.
Mijn verbazing bij 5 km,
Mijn blik bij realisatie…
En alle littekens buiten beeld.
Alleen de blik….

SONY DSC SONY DSC

Advertenties

Lopen

Al inpakkend vind ik mijn vakantiedagboek.
Ik lees vakanties terug.
Tot 2012.
Toen het leven een beetje een chaos werd.

Ik lees terug in 2011.
Toen we waren daar waar we nu naartoe gaan.
Ik lees terug in 2009, toen we waren waar we nu naartoe gaan.

In 2009 pikte ik het hardlopen eindelijk weer op na #3, toen de laatste 2 werd.
Daar, waar we nu weer naartoe gaan.
In 2011 waren we er weer, waar we nu naartoe gaan.
Ik noteerde daar al mijn loopjes.
Niet online, maar in mijn boekje.
Dat boekje gaat nu weer mee.
Ik lees ontroerd/verbaasd mezelf terug.
Toen het leven nog niet knokken was.
Damn’, wat was het leven easy met 3 als je gezond bent.

Ik was heel trots in 2011; ik noteerde 58,72 km die 2 weken.
Ik schreef het op, met vulpen.
Ik heb mijn boekje weer mee deze vakantie.

Ik kijk naar mijn vitrine-salontafel.
Daar ligt mijn dagboek van 2012.
Er komt een dag dat ik die ook durf open te slaan.
Maar nog niet nu.
Dit boekje tot 2012 was confronterend genoeg.

Nu heb ik 58,72 km te verslaan.
Dat is wat lopen is voor mij:
ik knok niet tegen het veld, niet tegen jullie.
Ik loop met mezelf, tegen mezelf, tegen mijn gehavende lijf….
en stiekem sterker dan dat….als het kan…

In 2011 was ik gezond en stond niks me in de weg.
58,72 km my ass……

Mijn vulpen gaat deze vakantie mee…

I forgot how to Repel

Als 2012 en 2013 me iets hebben geleerd is dat ik weet hoe ik moet knokken.
Verbeten en koppig de strijd aangaan omdat het je verdorie niet gaat gebeuren.
Er nooit geen puf voor hebben.
Ik weet dat ik er verhipte goed in ben en dat sterkte me.
De bewondering door anderen sterkte me.
De bewondering soms op het randje van het bizarre af.

Ik had het blijkbaar nodig om vol te houden, maar knokker werd een persoon.
Ik was letterlijk de knokker geworden: iets wat ik was in plaats van wat ik deed.
En nu ben ik weer terug als persoon en ik heb geen idee.
Ik ben niet meer wie ik was hiervoor, maar ben ook niet de knokker die ik twee jaar lang was.
Ik heb geen flauw idee.
Hoe ik een vriendin moet zijn.
Ik heb geen idee hoe ik een reguliere werknemer moet zijn.
Hoe ik collega moet zijn tussen collega’s.
Hoe ik iemand vriend(in) kan laten zijn met mij; niet met de stoere knokker die het zo goed doet,
maar met mij, de persoon.
Hoe ik aan smalltalk doe en dat ervaar als wezenlijk onderdeel van wat er in mijn brein omgaat.
Ik heb geen idee.

Ik was verbeten:
Kanker ging me niet mijn huwelijk kosten en het ongeluk ging me niet mijn lopen kosten.
En dat is exact wat ik voor elkaar geknokt heb: mijn gezin en mijn lopen.
Maar voor de rest?
Ik zie iedereen dansen en ik ken de pasjes niet niet meer zo goed.
Ik voel me uit de maat dansen in mijn eigen leven.
I forgot how to Wendy.

Ik kan het me niet meer voorstellen, wel herinneren.

Ik sta in de kledingwinkel zomershirtjes in de uitverkoop te snuffelen als ik een klein stemmetje naast me hoor.
“U bent toch de moeder van Draakje?”
Ik kijk opzij en zie een schattig meisje met zwart haar en HEUL grote zwarte ogen.
Draakjes lengte.
“Ja dat ben ik, en wie ben jij?”
“Ik ben T.”
“Oh, die naam ken ik, Draakje heeft het wel eens over jou.”
Ze lacht.
“U had toch die rolstoel?”
“Ja, die had ik.”
Ze begint te glunderen.
“Ik kan me nog herinneren dat ik een keertje achterop mocht!”
Blijkbaar een herinnering die ze koestert.
Ik moet inwendig grinniken.
Ze is niet de eerste.
Een paar maanden geleden bulderde een kindje over het schoolplein.
“Draakje z’n moeoeoeoeoeder! Heeft u die rolstoel nog?”
“Nee, die heb ik niet meer.”
“JAMMER!”

Toen ik thuis kwam uit het ziekenhuis mocht ik de elektrische buitenrolstoel van Baasje van Ben lenen.
Vergis je niet: dat ding had niks te maken met een rollator: een rollator is voor bejaarden.
Dit was een four wheel drive, 20 km/uur rijdende tank waar 3 kinderen achterop konden.
Ik kan me er niks meer bij voorstellen, maar ik kan het me nog wel maar al te goed herinneren. In het begin was de pijn zo hels en de immobiliteit zo groot dat ik niks kon. Nauwelijks een stap, ook niet met krukken. Pas na een poos kon ik met krukken de deur uit om mezelf in die buitenrolstoel te krijgen die in de voortuin stond.
Het was heel moeilijk en eng en pijnvol om erin te gaan zitten met dat been. Ik kan het me niet meer voorstellen. Wel herinneren.
Maar eenmaal in die rolstoel had ik een stukje leven terug; ik kon de jongens halen uit school. Ik kon naar buiten. Zelfstandig naar buiten….na maanden.
En man oh man wat heb ik genoten in die rolstoel!

En ik was blijkbaar niet de enige.
Ze hebben het er nu nog over!
Ik wil niet zeggen dat ik voor die kinderen het equivalent van de Efteling was,
maar ik was wel een soort van coole attractie van een pretpark.
Om kwart over drie uit school mochten de kinderen van school namelijk om en om achterop bij me op de rolstoel.

Ik loop het winkelcentrum uit en de herinneringen rollen over me heen.
Baasje van Ben die me het aanbiedt.
Mijn vraag aan haar: Wat is het laadvermogen van dat ding?
Ze beantwoordt niet de gestelde vraag, maar wel mijn èchte vraag met haar wijze, liefdevolle glimlach:
Ja, je drie kinderen kunnen alle drie tegelijkertijd achterop.

303021_646880558671400_684609800_n

10 april 2012-2013-2014

Roerend in mijn kopje cappuccino, wachtend op mijn afspraak, schrijf ik een mail in draft.
Ik moet nadenken over formuleringen en scroll al denkend door mijn inbox op de iPad. Iets met gedachten ordenen.
Er staat niet zoveel in, in die inbox, ik mail niet zoveel vanaf de pad. Voor ik het in de gaten heb ben ik bij 10 april 2013. Een jaar geleden. Grappig, denk ik nog. En dan zie ik een reply mail van mijn vader van die dag.
Dat hij zo blij was met de uitslag van de foto dat ik het been voorzichtig mocht gaan belasten. Langzaam oefenen tot 20 kilo.
Ik roer verder in mijn koud wordende cappuccino en kijk uit het raam. Ik was het bijna vergeten. Maar wat ik zeker weten was vergeten was hoe het voelde, zowel in mijn lijf als in mijn hoofd.
Bij de fysio arriveren met de rolstoel. Met krukken de oefenzaal in. Rudy die een weegschaal neerzet en ik verbeten en met tranen van de pijn mijn been op de weegschaal zetten en druk zetten tot de weegschaal 10 kilo aangeeft. De pijn met geen pen te beschrijven. Maar na 23 dagen morfinepomp in februari was deze pijn een peuleschil. Zo dealde ik ermee, dat was mijn manier. Ik vond mezelf een held met 10 kilo.
Ik laat de herinnering me overdonderen als een tsunami. Djiez…look at me now. Ik keer terug naar de mail. Ik ben er tevreden mee en sla hem op. Ik ben tevreden met mezelf. Look at me now…
Ik ben diep in gedachten verzonken en lees de mail van mijn vader na. Ik zit diep in 10 april 2013 en realiseer me een jaar daarvoor: 10 april 2012 . De eerste bestraling. Vandaag 2 jaar geleden. Exact. Voor de eerste keer in dat apparaat, met geblokkeerde adem door die vreselijke slang in mijn mond, in dat apparaat met die laserstralen op de tatoeagestippen. Het geluid, het gedempte licht, de misselijkheid. De haat voor die plek. Vandaag 2 jaar geleden. Look at me now.
Zo diep in gedachten verzonken dat ik mijn afspraak niet zie aankomen. Ik word letterlijk opgeschrikt.
Just look at me now. Ik schud de herinneringen van me af.
Ik leef nu, 10 april 2014.

Rentree Revisited

Picture it, Zandvoort, 30 maart 2014.

Ik stap uit de trein en herken Zandvoort.
Ik ben er niet geweest sinds Zandvoort Circuitrun 2012.
Toen ik “alleen nog maar kanker te dealen had”.
Mijn been heeft er een mening over.
Mijn borst ook.
Ik voel mijn ogen volstromen.
Ik weet weer hoe ik moet lopen op weg naar de start.
Ik vind dat mijn ogen moeten stoppen met tranen, en dat ze dat pas mag mogen na de finish die ik nog niet heb gehaald en aangezien het VEULS  TE WARM is twijfel ik over het halen van die streep.

Lopend naar de start loop je het laatste stuk van de loop.
Je ziet de spandoeken voor de huizen.

Ik loop langs het punt waar ik Ruben twee jaar terug zag.
Toen ik besloot hem niet te roepen omdat ik in me mezelf gekeerd was en hem pas bij de start zag.
Met Cor en Cis en Pas.
De foto die werd gemaakt staat in mijn geheugen gegrift.
De hechtingen van de operatie nog in mijn borst.
Drie sportBH’s, laag over laag.
Maar als ik deze kon, zou ik de marathon kunnen,
en als ik die kon, zou ik de bestralingen aankunnen.
Het was een drietrapsraket.

1975136_853528001339987_1659471589_n

Maar deze keer was het warm en mijn been wil nog niet alles.
En ik wist niet zo zeker als toen of ik het dit keer ging fixen.
Maar ik zou hem doen, dat moest….de cirkel rond.
Maar ik twijfel.

Ik zag Ruben en zijn gezin en ouders en dat vond ik heerlijk.
Ruben en zijn 3 Girliez zien is altijd een feestje.
Looptechnisch was ik er niet zeker van.

image

Erwin kan “een tikkie” harder dan ik.
Jullie begrijpen wat ik met “een tikkie” bedoel.
Maar Erwin liep met me mee.
Ik zag hem pas in het loopvak.
*stresspuntje*

Erwin liep met me mee.
“Nou Colpa, we zijn op een derde”
zijn exact de woorden die ik wil horen
als de zon te heet is
en de wind te weinig waait
en we uphill gaan als dat klotebeen dat niet wilt.

“Blijf lopen, ik regel het”
Als de drankpost er is.
**Twee water in de nek, twee AA door de strot**

Ik kom het strand niet af.
Mul zand en een kuit die niet wil.
Voor het eerst in mijn leven wandel ik tijdens een loopje.
Boeien meis, vertel ik mezelf.
Maar het hoort niet bij de loper die ik ben was ben.
Boeien meis, vertel ik mezelf weer.
Boven de heuvel gaan we weer.

De hitte speelt me parten.
Ik moet grinniken om Erwin die me steunt.
Maar heb geen energie om het te laten merken.
Ik heb hoofdpijn van de hitte.
Voel me er niet lekker van.

Bij 9 kilometer gaat de knop om.
Deze was voor mij, genieten van elke stap.
Boeien die hitte!
De knop gaat om en ik voel de hitte niet meer echt.
Wel mijn been, maar dat mag.
Het mag, het is goed.
Met twee armen in de lucht kom ik over de finish.
Mijn ogen wateren niet eens echt.
De bitch is back.

image-1

 

De rest blijkt aan de beurt

Ja. Februari vind ik spannend dit jaar.
Als rechtgeaarde bèta mag ik niet bijgelovig zijn maar als rechtgeaarde bèta weet ik ook hoe überbelachelijk makkelijk de mens te conditioneren is. Nog makkelijker dan muizen.

Feb 2012 = kanker
Feb 2013 = ongeluk
Feb 2014…..oh dear

14 februari 2012 – 4 februari 2013 – …-
De wiskundige in mij maakt de reeks af alsof het een IQ-test betreft: 25 januari 2014.
Dat is morgen.
Zo werkt het niet maar zo werkt het brein wel.

Maar de realiteit is anders. Ik kijk met stijgende verbazing om mij heen.

De vrouw van mijn lieve collega (die in november zelf een klein hartinfarct kreeg en zelf nog maar nauwelijks bekomen is van de schrik) valt achterover van de vlizotrap. Rug gebroken. Ja ze heeft geluk: geen uitval. Maar wel 12 weken corset en plat. Minimaal. En ik weet hoe lang haar revalidatie daarna zal zijn. En hij, zelf een jasje uitgedaan, moet alles reilen en zeilen zoals Bevelvoerder dat deed voor mij.
En dit gaat ze ZO VEEL TIJD KOSTEN!

Vriendin waarvan ik denk dat ze leeft zoals ik en vertrouwt in haar gezin zoals ik heeft ineens een huwelijk in zwaar weer.
Je kan een boel overleven en uit elkaar groeien en vergeven en ruzie maken….als de bottom line maar is: jij bent van mij, ik hou van jou, voor altijd en altijd. En ik ben van jou en jij houdt zo van mij. Voor altijd en altijd. Sterker nog: ik hou nog meer van jou.
En als dat ineens niet zo blijkt is er een bodem weg die onvervangbaar is.

Mijn loopmaatje die weet dat zijn baan eind 2014 eindigt en als begin veertiger
opnieuw moet beginnen. Omscholing? Solliciteren?
Met jong kind en vrouw.

Lieve vriendin die zo graag haar eigen nier wil doneren aan haar echtgenoot,
maar zelf niet de arbitraire medisch vastgestelde noodzakelijke lat haalt.

Ik kijk om me heen.
Wat is het nou?
Heeft de rest nu ineens heel veel pech?
Of heb ik pas nu ruimte om goed te kijken naar andermans leed?

Morgen 25 januari. De wiskundige reeks.

Mijn empatisch vermogen gaat er een mening over hebben.

No more champagne, and the fireworks are through

Hij komt op de ochtend van de 31ste thuis uit beroepsdienst en heeft direct pieperdienst op het dorp.
Na een paar uur rust overdag heeft hij weer pieperdienst vanaf 11 uur ’s avonds.
Hij is de Bevelvoerder en moet als de pieper gaat.
Ik weet dus dat de kans groot is dat hij een container hier en daar moet blussen.
Ook al is het middernacht.
Juist al is het middernacht, waarschijnlijk.
Maar thuis is hij, met oud en nieuw, en dat is z.e.l.d.z.a.a.m.

Maar ik ben al onrustig en ben al uit mijn doen.
Heb totaal geen zin in deze avond.
Ik kan het niet plaatsen.
Ik geef mezelf niet de ruimte het toe te laten.

De pieper gaat om 5 over 11.
Vijf over fucking 11.
Even later check ik P2000.
Middelbrand.
Die middernacht samen kan ik op mijn buik schrijven.

Ik wil er het beste van maken met de drie jongens, maar krijg het niet voor elkaar.
In die pleures regen krijg ik om middernacht met dat stomme lont zelfs de fucking baby pijltjes niet aan.
Spelmaker kijkt puberiger dan ooit. Er lag een pakket Vuurwerk Van Jewelste klaar voor hem en zijn vader. Maar met 3 kids alleen ging ik dat niet doen, dat wist hij van te voren.
De straat gaat ondertussen loos met hun testosteron-overstreffende-vuurwerkpakketten.
De knallen gaan door de geluidsbarrière en Spelmaker kijkt denigrerend meewarig hoe ik zit te worstelen met een lont en een babypijl.

Ik kan de tranen niet meer tegenhouden.
Oh hoe heerlijk, met alle buren in clear sight.
Ik krijg her en der wat knuffels.
Mijn street rap is voor altijd aan gort.

Spelmaker knalt in 1 minuut door de pubertijd en veegt zijn moeder mentaal op.
Oh wacht, dit über-verantwoordelijke gedrag is nu juist de reden dat hij zo pubert juist tegen mij.

Wijzemans komt om 1 uur ’s nacht uit bed en kan door de knallen niet meer slapen als papa er niet is. Hij is bang.
Ik ga slapen met 2 Daltons in bed. En zonder Bevelvoerder.
En met een gevoel dat ik niet kan wil plaatsen.

31 december 2012. Ik vier oud en nieuw like no tomorrow.
Dit jaar is achter ons.
Kankerjaar.
2013 gaat mijn jaar worden, ons jaar worden!
On top of the world.
I beat cancer.
Wat kan mij nog gebeuren!

1 januari 2014.
Ik probeerde alle wensen af te weren.
Terug te kaatsen.
Nee, nee, nee: wens me niks,
geen voorspellingen over dit jaar.
Met elke wens over hoe mooi dit jaar gaat worden,
wordt de kans op de overtreffende trap 2012 – 2013 – 2014 groter.

Nerd genoeg om te weten hoe makkelijk mensen te conditioneren zijn.
Nerd genoeg om te geloven in toeval.
Gevoelsmens en sterfelijk genoeg om bang te zijn.
Wat kan mij nog gebeuren.
Nou ja, ik kan genoeg bedenken en ik geloof niet meer in “dit overkomt mij niet”.

Ik weet bijgod niet wat ik aan moet met de start van dit jaar op weg naar februari.
Ik zou zo graag gewoon een jaar in gaan.
Met de lessen die ik meenam.
Nikste mijn jaar.
Nikste wensen.

Afscheid van Baasje van Ben

We kijken elkaar aan.
Zij met haar gebruikelijke optimistische blik.
Optimistisch dekt de lading niet.
Oprecht. Open. Verdragend. Open vizier.
Professioneel. Kundig. Analytisch.
En bovenal vriendelijk. En optimistisch.

Ik moet de woorden uitspreken.
Ze heeft me geleid naar dit punt.
Hoe fijn ik het ook vind bij haar te komen.
Hoe vertrouwd ik het ook vind bij haar te komen.
Hoe dierbaar ze me ook is geworden.
En hoe eng ik het ook vind om zonder haar door te gaan met mijn leven.
Maar uitspreken moet ik het.
“Ik geloof dat ik er ben.”
Of woorden van die strekking.

Ik wandelde bij haar binnen na de bestralingen in 2012.
Omdat ik niet kon landen in het leven na kanker.
Toen ik me na kanker geen plek wist in het dagelijkse leven.

En toen ik heel hard op weg was kreeg ik het ongeluk.
Knokken voor leven kreeg een andere dimensie.
Gelukkig had ik nog steeds Baasje van Ben.
En dus bleef ik wat langer hangen bij haar.

En bij Ben.

Hoe grondig de haat voor wachtkamers was tijdens de bestralingen.
hoe grondig Ben die haat heeft doen verpulveren.
Ik had de leukste wachtkamer ter wereld.
Met Ben.

Ik nam vandaag afscheid van Baasje van Ben.
Zij en haar side kick in de wachtkamer hebben me lessen geleerd.
Zij is de grootste reden dat ik er mentaal beter uit ben gekomen.
Zij is de reden dat ik nu wel kan landen in het leven terug.
Ik kreeg de mooiste woorden ooit van haar mee.

Het voelt een beetje alsof een dochter op kamers gaat.
Maar mocht je een keer een zak vuile was hebben,
dan mag je hem altijd komen brengen.

Meneer Verdoe-hoes

In februari na het ongeluk was het meneer Verdoes die mijn bestaan in het ziekenhuis domineerde.

Mijn buurman op zaal. De eerste weken.
Mijn bejaarde buurman die zo ziek en zo verhospitaliseerd was.
Een drama voor mij, in mijn referentiekader, op dat moment.
Zijn lieve vrouw had mijn zonen al geadopteerd als kleinkinderen, de schat.
Het werkelijke drama was voor haar. Hmm. En voor hem. Als ik eerlijk ben. Nu achteraf.
Meneer Verdoes was het zieke(nhuis) leven zo beu dat hij niet meer aardig was.
Meneer Verdoes klaagde heel veel.
Alleen maar. De hele tijd.
Arme meneer Verdoes.
Maar die empathie had ik niet in huis op dat moment.
Ik haatte meneer Verdoes.

Meneer Verdoes was zo ziek dat de verpleging bij binnenkomst altijd moest roepen om hem bij bewustzijn te krijgen: “MENEER VERDOE-HOES?”
Ik kan het nog horen, zo vaak heb ik het horen roepen.
De stem van een jonge verpleegkundige die met professionele desinteresse roept. “Meneer Verdoe-hoes?”

Deze keer had ik mevrouw Stoffels.
Ik had mijn gordijn dicht. Hield mijn gordijn dicht.
Mevrouw Stoffels kermde heel veel.
Was heel ziek.

Mevrouw Stoffels is zo ziek dat de verpleging bij binnenkomst altijd moet roepen om te controleren of ze nog bij bewustzijn is. “MEVROUW STOFFELS?”
Mevrouw Stoffels heeft minimaal ugh keer intensieve zorg nodig gehad, die ene nacht dat ik er was. In mijn ogen heeft ze ugh keer bijna het loodje gelegd en heeft de verpleging haar er doorheen gesleept.
Ik sliep niet van de pijn omdat ik…nee, dat is voor een volgend logje. Punt is dat ik niet sliep en mevrouw Stoffels op het randje lag.

Meneer Verdoe-hoes was onaangenaam. Mevrouw Stoffels had pijn.

Ik heb op de bel gedrukt toen het niet goed ging ’s avonds.
Pleeg kwam: wie heeft er gebeld?
Ik: ik belde voor haar.

Ik heb op de bel gedrukt toen ze lag te huilen om 5 uur ’s ochtends.
Ze was te zwak en te verdrietig om zelf de bel te vinden.
Pleeg kwam: wie had er gebeld?
Ik: ik belde voor haar.

Mevrouw Stoffels weet dat allemaal niet. Mevrouw Stoffels was beide keren best ver weg.

Toen ik in de ochtend lag te huilen van de pijn liet een lieve pleeg me na de nodige zorg lekker liggen.
Ga nog maar een uurtje slapen, zei ze.
Maar toen ging het infuus van mevrouw Stoffels.
Ik drukte op de bel.

Ze moeten het druk gehad hebben, want het duurde best lang voor ze kwamen.
Zo lang dat mevrouw Stoffels zelf de bel ging zoeken.
Huilend.
Rustig maar, zei ik, ik heb ze al gebeld.

De pleeg kwam: wie heeft gebeld?
Ik: ik, ik belde voor haar.

Meneer Verdoe-hoes is niet zo lang na mijn ontslag in februari overleden.
Dat hoorde ik pas veel later.
Arme mevrouw Verdoes.

Mijn Bevelvoerder haalde mij op met de rolstoel.
Mevrouw Stoffels was bijzonder alert.
“Tot ziens, het ga u goed!” Ik zei het met alle oprechtheid.
Mevrouw Stoffels glimlachte.
“Dank je wel voor het bellen.”

Ze moest eens weten….
Nee, dat hoeft ze niet.
Toen ik incheckte de dag voor mijn operatie zag ik mevrouw Stoffels haar haar kammen en in een mooie klem doen.
Dat beeld wil ik onthouden.
Ook als ik hoor dat mevrouw Stoffels er niet meer is.