Lopen

Al inpakkend vind ik mijn vakantiedagboek.
Ik lees vakanties terug.
Tot 2012.
Toen het leven een beetje een chaos werd.

Ik lees terug in 2011.
Toen we waren daar waar we nu naartoe gaan.
Ik lees terug in 2009, toen we waren waar we nu naartoe gaan.

In 2009 pikte ik het hardlopen eindelijk weer op na #3, toen de laatste 2 werd.
Daar, waar we nu weer naartoe gaan.
In 2011 waren we er weer, waar we nu naartoe gaan.
Ik noteerde daar al mijn loopjes.
Niet online, maar in mijn boekje.
Dat boekje gaat nu weer mee.
Ik lees ontroerd/verbaasd mezelf terug.
Toen het leven nog niet knokken was.
Damn’, wat was het leven easy met 3 als je gezond bent.

Ik was heel trots in 2011; ik noteerde 58,72 km die 2 weken.
Ik schreef het op, met vulpen.
Ik heb mijn boekje weer mee deze vakantie.

Ik kijk naar mijn vitrine-salontafel.
Daar ligt mijn dagboek van 2012.
Er komt een dag dat ik die ook durf open te slaan.
Maar nog niet nu.
Dit boekje tot 2012 was confronterend genoeg.

Nu heb ik 58,72 km te verslaan.
Dat is wat lopen is voor mij:
ik knok niet tegen het veld, niet tegen jullie.
Ik loop met mezelf, tegen mezelf, tegen mijn gehavende lijf….
en stiekem sterker dan dat….als het kan…

In 2011 was ik gezond en stond niks me in de weg.
58,72 km my ass……

Mijn vulpen gaat deze vakantie mee…

I forgot how to Repel

Als 2012 en 2013 me iets hebben geleerd is dat ik weet hoe ik moet knokken.
Verbeten en koppig de strijd aangaan omdat het je verdorie niet gaat gebeuren.
Er nooit geen puf voor hebben.
Ik weet dat ik er verhipte goed in ben en dat sterkte me.
De bewondering door anderen sterkte me.
De bewondering soms op het randje van het bizarre af.

Ik had het blijkbaar nodig om vol te houden, maar knokker werd een persoon.
Ik was letterlijk de knokker geworden: iets wat ik was in plaats van wat ik deed.
En nu ben ik weer terug als persoon en ik heb geen idee.
Ik ben niet meer wie ik was hiervoor, maar ben ook niet de knokker die ik twee jaar lang was.
Ik heb geen flauw idee.
Hoe ik een vriendin moet zijn.
Ik heb geen idee hoe ik een reguliere werknemer moet zijn.
Hoe ik collega moet zijn tussen collega’s.
Hoe ik iemand vriend(in) kan laten zijn met mij; niet met de stoere knokker die het zo goed doet,
maar met mij, de persoon.
Hoe ik aan smalltalk doe en dat ervaar als wezenlijk onderdeel van wat er in mijn brein omgaat.
Ik heb geen idee.

Ik was verbeten:
Kanker ging me niet mijn huwelijk kosten en het ongeluk ging me niet mijn lopen kosten.
En dat is exact wat ik voor elkaar geknokt heb: mijn gezin en mijn lopen.
Maar voor de rest?
Ik zie iedereen dansen en ik ken de pasjes niet niet meer zo goed.
Ik voel me uit de maat dansen in mijn eigen leven.
I forgot how to Wendy.

10 april 2012-2013-2014

Roerend in mijn kopje cappuccino, wachtend op mijn afspraak, schrijf ik een mail in draft.
Ik moet nadenken over formuleringen en scroll al denkend door mijn inbox op de iPad. Iets met gedachten ordenen.
Er staat niet zoveel in, in die inbox, ik mail niet zoveel vanaf de pad. Voor ik het in de gaten heb ben ik bij 10 april 2013. Een jaar geleden. Grappig, denk ik nog. En dan zie ik een reply mail van mijn vader van die dag.
Dat hij zo blij was met de uitslag van de foto dat ik het been voorzichtig mocht gaan belasten. Langzaam oefenen tot 20 kilo.
Ik roer verder in mijn koud wordende cappuccino en kijk uit het raam. Ik was het bijna vergeten. Maar wat ik zeker weten was vergeten was hoe het voelde, zowel in mijn lijf als in mijn hoofd.
Bij de fysio arriveren met de rolstoel. Met krukken de oefenzaal in. Rudy die een weegschaal neerzet en ik verbeten en met tranen van de pijn mijn been op de weegschaal zetten en druk zetten tot de weegschaal 10 kilo aangeeft. De pijn met geen pen te beschrijven. Maar na 23 dagen morfinepomp in februari was deze pijn een peuleschil. Zo dealde ik ermee, dat was mijn manier. Ik vond mezelf een held met 10 kilo.
Ik laat de herinnering me overdonderen als een tsunami. Djiez…look at me now. Ik keer terug naar de mail. Ik ben er tevreden mee en sla hem op. Ik ben tevreden met mezelf. Look at me now…
Ik ben diep in gedachten verzonken en lees de mail van mijn vader na. Ik zit diep in 10 april 2013 en realiseer me een jaar daarvoor: 10 april 2012 . De eerste bestraling. Vandaag 2 jaar geleden. Exact. Voor de eerste keer in dat apparaat, met geblokkeerde adem door die vreselijke slang in mijn mond, in dat apparaat met die laserstralen op de tatoeagestippen. Het geluid, het gedempte licht, de misselijkheid. De haat voor die plek. Vandaag 2 jaar geleden. Look at me now.
Zo diep in gedachten verzonken dat ik mijn afspraak niet zie aankomen. Ik word letterlijk opgeschrikt.
Just look at me now. Ik schud de herinneringen van me af.
Ik leef nu, 10 april 2014.

Rentree Revisited

Picture it, Zandvoort, 30 maart 2014.

Ik stap uit de trein en herken Zandvoort.
Ik ben er niet geweest sinds Zandvoort Circuitrun 2012.
Toen ik “alleen nog maar kanker te dealen had”.
Mijn been heeft er een mening over.
Mijn borst ook.
Ik voel mijn ogen volstromen.
Ik weet weer hoe ik moet lopen op weg naar de start.
Ik vind dat mijn ogen moeten stoppen met tranen, en dat ze dat pas mag mogen na de finish die ik nog niet heb gehaald en aangezien het VEULS  TE WARM is twijfel ik over het halen van die streep.

Lopend naar de start loop je het laatste stuk van de loop.
Je ziet de spandoeken voor de huizen.

Ik loop langs het punt waar ik Ruben twee jaar terug zag.
Toen ik besloot hem niet te roepen omdat ik in me mezelf gekeerd was en hem pas bij de start zag.
Met Cor en Cis en Pas.
De foto die werd gemaakt staat in mijn geheugen gegrift.
De hechtingen van de operatie nog in mijn borst.
Drie sportBH’s, laag over laag.
Maar als ik deze kon, zou ik de marathon kunnen,
en als ik die kon, zou ik de bestralingen aankunnen.
Het was een drietrapsraket.

1975136_853528001339987_1659471589_n

Maar deze keer was het warm en mijn been wil nog niet alles.
En ik wist niet zo zeker als toen of ik het dit keer ging fixen.
Maar ik zou hem doen, dat moest….de cirkel rond.
Maar ik twijfel.

Ik zag Ruben en zijn gezin en ouders en dat vond ik heerlijk.
Ruben en zijn 3 Girliez zien is altijd een feestje.
Looptechnisch was ik er niet zeker van.

image

Erwin kan “een tikkie” harder dan ik.
Jullie begrijpen wat ik met “een tikkie” bedoel.
Maar Erwin liep met me mee.
Ik zag hem pas in het loopvak.
*stresspuntje*

Erwin liep met me mee.
“Nou Colpa, we zijn op een derde”
zijn exact de woorden die ik wil horen
als de zon te heet is
en de wind te weinig waait
en we uphill gaan als dat klotebeen dat niet wilt.

“Blijf lopen, ik regel het”
Als de drankpost er is.
**Twee water in de nek, twee AA door de strot**

Ik kom het strand niet af.
Mul zand en een kuit die niet wil.
Voor het eerst in mijn leven wandel ik tijdens een loopje.
Boeien meis, vertel ik mezelf.
Maar het hoort niet bij de loper die ik ben was ben.
Boeien meis, vertel ik mezelf weer.
Boven de heuvel gaan we weer.

De hitte speelt me parten.
Ik moet grinniken om Erwin die me steunt.
Maar heb geen energie om het te laten merken.
Ik heb hoofdpijn van de hitte.
Voel me er niet lekker van.

Bij 9 kilometer gaat de knop om.
Deze was voor mij, genieten van elke stap.
Boeien die hitte!
De knop gaat om en ik voel de hitte niet meer echt.
Wel mijn been, maar dat mag.
Het mag, het is goed.
Met twee armen in de lucht kom ik over de finish.
Mijn ogen wateren niet eens echt.
De bitch is back.

image-1

 

Zij die alle verschil maakt

De Wachtkamer.

De dag zelf duurde al een mensenleven voor het drie uur ’s middags was,
maar in de wachtkamer zelf lijkt de tijd nog verder te vertragen.
En uiteraard loopt het uit.

En toch kan ik deze plek niet haten.
Ik heb er de slechtste momenten van mijn leven beleefd, ja,
maar zij was er ook altijd.
Mijn oncologe de me een sms stuurde de avond voor de marathon in 2012: “Je kan het!”

Ik wacht en de seconden tikken als stroop.
Ik ben dood- en doodongelukkig en foeter op de Bevelvoerder omdat hij met zijn voet wiebelt.
Terwijl mijn voet zelf drie keer zo hard wiebelt.
De deur gaat open en ze roept mevrouw-zus-en-zo, al rondkijkend.
Ze ziet me en ze lacht: Repel! (met voornaam dus)

Mevrouw-zus-en-zo staat op en loopt met ongeruste blik naar voren.
Nog voor de dame haar hand heeft geschud zegt ze: ik heb goed nieuws.
De blik van opluchting doet ons goed.
Ons is de drie a vier vrouwen in de wachtkamer.

Ik herken een vrouw in de wachtkamer en spreek haar aan:
“Ik zag jou toch vorig jaar hier ook? Hoe gaat het met je?”
Zij herkent mij, zelfs zonder rolstoel.
We geven elkaar een knuffel.
Een andere dame zit hier met verse slechte uitslag en gaat het traject in.
We steunen haar.
De dame en ik die elkaar vorig jaar ontmoetten.

Het loopt een half uur uit.
Ik ben stik ongelukkig.
Maar dat zijn we allemaal hier.
Zij die alle verschil maakt steekt haar hoofd om de deur en roept me binnen.
Ze onderzoekt me.
Op de tast niks geks.
We hebben het *duh* over hardlopen.
Ze doet dit omdat het uitloopt.
Ze helpt me een kwartiertje verder.
De boodschap “Op de tast niks afwijkends” maakt dat ik een conversatie kan voeren.
Het is een heel bijzonder moment.
Ik vertel haar over Runner’s World, en dat ze staat in het interview.
We hebben het over haar oudste die is afgestudeerd.

De foto’s zijn even later pijnlijk as hell as usual en seconden kunnen nog trager gaan daarna.
Ik foeter weer op de voet van de Bevelvoerder als de tijd die ik moet wachten zo moeilijk is als de deur open gaat en ze mijn naam roept.
Niet mevrouw-zus-en-zo, maar “Repel”.
Nog voor ik bij de deur ben zie ik haar lach en ze zegt zacht: het is goed hoor, ik heb goed nieuws.

Dit. Went. Nooit.

Maar zij maakt al het verschil..

 

 

De rest blijkt aan de beurt

Ja. Februari vind ik spannend dit jaar.
Als rechtgeaarde bèta mag ik niet bijgelovig zijn maar als rechtgeaarde bèta weet ik ook hoe überbelachelijk makkelijk de mens te conditioneren is. Nog makkelijker dan muizen.

Feb 2012 = kanker
Feb 2013 = ongeluk
Feb 2014…..oh dear

14 februari 2012 – 4 februari 2013 – …-
De wiskundige in mij maakt de reeks af alsof het een IQ-test betreft: 25 januari 2014.
Dat is morgen.
Zo werkt het niet maar zo werkt het brein wel.

Maar de realiteit is anders. Ik kijk met stijgende verbazing om mij heen.

De vrouw van mijn lieve collega (die in november zelf een klein hartinfarct kreeg en zelf nog maar nauwelijks bekomen is van de schrik) valt achterover van de vlizotrap. Rug gebroken. Ja ze heeft geluk: geen uitval. Maar wel 12 weken corset en plat. Minimaal. En ik weet hoe lang haar revalidatie daarna zal zijn. En hij, zelf een jasje uitgedaan, moet alles reilen en zeilen zoals Bevelvoerder dat deed voor mij.
En dit gaat ze ZO VEEL TIJD KOSTEN!

Vriendin waarvan ik denk dat ze leeft zoals ik en vertrouwt in haar gezin zoals ik heeft ineens een huwelijk in zwaar weer.
Je kan een boel overleven en uit elkaar groeien en vergeven en ruzie maken….als de bottom line maar is: jij bent van mij, ik hou van jou, voor altijd en altijd. En ik ben van jou en jij houdt zo van mij. Voor altijd en altijd. Sterker nog: ik hou nog meer van jou.
En als dat ineens niet zo blijkt is er een bodem weg die onvervangbaar is.

Mijn loopmaatje die weet dat zijn baan eind 2014 eindigt en als begin veertiger
opnieuw moet beginnen. Omscholing? Solliciteren?
Met jong kind en vrouw.

Lieve vriendin die zo graag haar eigen nier wil doneren aan haar echtgenoot,
maar zelf niet de arbitraire medisch vastgestelde noodzakelijke lat haalt.

Ik kijk om me heen.
Wat is het nou?
Heeft de rest nu ineens heel veel pech?
Of heb ik pas nu ruimte om goed te kijken naar andermans leed?

Morgen 25 januari. De wiskundige reeks.

Mijn empatisch vermogen gaat er een mening over hebben.

No more champagne, and the fireworks are through

Hij komt op de ochtend van de 31ste thuis uit beroepsdienst en heeft direct pieperdienst op het dorp.
Na een paar uur rust overdag heeft hij weer pieperdienst vanaf 11 uur ’s avonds.
Hij is de Bevelvoerder en moet als de pieper gaat.
Ik weet dus dat de kans groot is dat hij een container hier en daar moet blussen.
Ook al is het middernacht.
Juist al is het middernacht, waarschijnlijk.
Maar thuis is hij, met oud en nieuw, en dat is z.e.l.d.z.a.a.m.

Maar ik ben al onrustig en ben al uit mijn doen.
Heb totaal geen zin in deze avond.
Ik kan het niet plaatsen.
Ik geef mezelf niet de ruimte het toe te laten.

De pieper gaat om 5 over 11.
Vijf over fucking 11.
Even later check ik P2000.
Middelbrand.
Die middernacht samen kan ik op mijn buik schrijven.

Ik wil er het beste van maken met de drie jongens, maar krijg het niet voor elkaar.
In die pleures regen krijg ik om middernacht met dat stomme lont zelfs de fucking baby pijltjes niet aan.
Spelmaker kijkt puberiger dan ooit. Er lag een pakket Vuurwerk Van Jewelste klaar voor hem en zijn vader. Maar met 3 kids alleen ging ik dat niet doen, dat wist hij van te voren.
De straat gaat ondertussen loos met hun testosteron-overstreffende-vuurwerkpakketten.
De knallen gaan door de geluidsbarrière en Spelmaker kijkt denigrerend meewarig hoe ik zit te worstelen met een lont en een babypijl.

Ik kan de tranen niet meer tegenhouden.
Oh hoe heerlijk, met alle buren in clear sight.
Ik krijg her en der wat knuffels.
Mijn street rap is voor altijd aan gort.

Spelmaker knalt in 1 minuut door de pubertijd en veegt zijn moeder mentaal op.
Oh wacht, dit über-verantwoordelijke gedrag is nu juist de reden dat hij zo pubert juist tegen mij.

Wijzemans komt om 1 uur ’s nacht uit bed en kan door de knallen niet meer slapen als papa er niet is. Hij is bang.
Ik ga slapen met 2 Daltons in bed. En zonder Bevelvoerder.
En met een gevoel dat ik niet kan wil plaatsen.

31 december 2012. Ik vier oud en nieuw like no tomorrow.
Dit jaar is achter ons.
Kankerjaar.
2013 gaat mijn jaar worden, ons jaar worden!
On top of the world.
I beat cancer.
Wat kan mij nog gebeuren!

1 januari 2014.
Ik probeerde alle wensen af te weren.
Terug te kaatsen.
Nee, nee, nee: wens me niks,
geen voorspellingen over dit jaar.
Met elke wens over hoe mooi dit jaar gaat worden,
wordt de kans op de overtreffende trap 2012 – 2013 – 2014 groter.

Nerd genoeg om te weten hoe makkelijk mensen te conditioneren zijn.
Nerd genoeg om te geloven in toeval.
Gevoelsmens en sterfelijk genoeg om bang te zijn.
Wat kan mij nog gebeuren.
Nou ja, ik kan genoeg bedenken en ik geloof niet meer in “dit overkomt mij niet”.

Ik weet bijgod niet wat ik aan moet met de start van dit jaar op weg naar februari.
Ik zou zo graag gewoon een jaar in gaan.
Met de lessen die ik meenam.
Nikste mijn jaar.
Nikste wensen.

Afscheid van Baasje van Ben

We kijken elkaar aan.
Zij met haar gebruikelijke optimistische blik.
Optimistisch dekt de lading niet.
Oprecht. Open. Verdragend. Open vizier.
Professioneel. Kundig. Analytisch.
En bovenal vriendelijk. En optimistisch.

Ik moet de woorden uitspreken.
Ze heeft me geleid naar dit punt.
Hoe fijn ik het ook vind bij haar te komen.
Hoe vertrouwd ik het ook vind bij haar te komen.
Hoe dierbaar ze me ook is geworden.
En hoe eng ik het ook vind om zonder haar door te gaan met mijn leven.
Maar uitspreken moet ik het.
“Ik geloof dat ik er ben.”
Of woorden van die strekking.

Ik wandelde bij haar binnen na de bestralingen in 2012.
Omdat ik niet kon landen in het leven na kanker.
Toen ik me na kanker geen plek wist in het dagelijkse leven.

En toen ik heel hard op weg was kreeg ik het ongeluk.
Knokken voor leven kreeg een andere dimensie.
Gelukkig had ik nog steeds Baasje van Ben.
En dus bleef ik wat langer hangen bij haar.

En bij Ben.

Hoe grondig de haat voor wachtkamers was tijdens de bestralingen.
hoe grondig Ben die haat heeft doen verpulveren.
Ik had de leukste wachtkamer ter wereld.
Met Ben.

Ik nam vandaag afscheid van Baasje van Ben.
Zij en haar side kick in de wachtkamer hebben me lessen geleerd.
Zij is de grootste reden dat ik er mentaal beter uit ben gekomen.
Zij is de reden dat ik nu wel kan landen in het leven terug.
Ik kreeg de mooiste woorden ooit van haar mee.

Het voelt een beetje alsof een dochter op kamers gaat.
Maar mocht je een keer een zak vuile was hebben,
dan mag je hem altijd komen brengen.

Laagjes afpellen “to the max”

Vanmiddag bij het verlaten van werk had mijn Vriendin Loopmaatje dienst in de portiersloge.
Ze schoot me aan. Hoe het ging.
En ze was vol complimenten.
Want ik had dan wel geluk gehad hè, maar niks gaat goed zonder de juiste instelling.
Want ik ben zo’n knokker en ik laat de moed niet zakken.
Anders was ik nooit zo ver gekomen.
Gutteguttegut, eerst kanker en dan een ongeluk.
En dan nog zo lachen en knokken.

Ja ja. Ik ben me er eentje.
Ik probeerde te praten over haar blessure, maar dat lukte slecht. Nee nee, dat was niet vergelijkbaar.

En ik vond het lief en was blij met het compliment en het is ook waar wat ze zei en het kwam uit de grond van haar hart.
Maar.
Het zat niet lekker.
Ik liep verdrietig weg en begreep niet goed waarom.

Ik had de grootste moeite mezelf naar de fysio te slepen later de middag.
Moe. Pijn. Beu. Geen zin meer.
Maar ik deed het weer en ik stond er met een lach.
Ik kom van ver, ja ja, en ik blijf knokken.

Ik kan het verhaaltje wel uitkotsen.
Pijn of geen pijn.

Voordat ik kanker kreeg, voordat ik het ongeluk kreeg, was ik nog wel eens wat anders.
Dan had ik een goede smaak in kleding.
Och, slecht voorbeeld. Excuus.
Toen was ik een goede collega en deed ik het goed op werk.
Toen had ik humor als ik het over thuis had.
Toen genoot men van mijn passie over lopen.
Toen was ik een nerd, een moeder, een vrouw.
Toen was ik een vriendin.
Toen was ik de vrouw die zo onevenredig uit de bocht kon vliegen.
Die #ikrukhaarhoofderaf riep over de juffen.

Nu ben ik iemand met die retegoeie instelling met al die tegenslag.
En bijna niet meer dan dat.

Ik ben 1 tint Repel momenteel.
Ik kan oh zo knap knokken.
Ik liep verdrietig weg vanmiddag omdat ik ooit 50 tinten Repel was.
En voor mijn gevoel nog steeds ben.

Geluk

We lopen het kantoor van Dr. Bud in.
Hoe gaat het, vraagt hij.
Zenuwachtig antwoord ik dat hij degene is die me dat nu moet gaan vertellen.
Dr. Bud lacht. Hij kijkt blij.
De breuken zijn dicht, zegt hij.
Ik kijk hem aan met ogen als schoteltjes.
Dr. Bud begint nog breder te lachen en laat de foto zien.
En hij laat zien waar de breuklijnen weg zijn, waar ze vervagen en waar er nog een miniem breuklijntje te zien is.
In november halen we de pen er uit. En eigenlijk wil ik de plaat er dan ook meteen uithalen. De breuken zijn zo goed herstelt dat dat kan.
Ik kijk nog net wat blijer dan hij.
Ja, je mag alles mee naar huis nemen, vervolgt hij zowat grinnikend.
Zo grinnikend als een chirurg kan.
Het is onwaarschijnlijk snel gegaan. Er staat een jaar voor.

Ik denk dat als de pen eruit is is alle belemmeringen weg zullen zijn.
Ik denk dat je er niks aan overhoudt.
Nu weet ik het zeker: hij kijkt echt blij.
Trots op zijn werk, ja.
Maar ik weet zeker dat hij ook blij is voor mij.
Er is een topskiër geweest die na een vreselijk ongeluk gewoon weer terug is gekomen op zijn oude niveau. Er is geen enkele reden dat je niet zou kunnen hardlopen.
Breed lachend schudden we elkaar de hand.
Tot november.

Exact 6 dagen later loop ik het kantoor van mijn oncologe in.
Je loopt, zegt ze blij.
Dat had ik zo gehoopt!
We kletsen een half uur over hardlopen.
Ik vertel haar dat alles goed gaat komen.
Dan kunnen we elkaar de hand schudden, zegt ze.
Haar hamstring blijkt te zijn afgescheurd in maart en ze revalideert, net als ik.
De borstcontrole verloopt vlekkeloos, alles is goed en ik ben weer voor een half jaar goedgekeurd.
We schudden elkaar de hand en beloven elkaar dat we volgend jaar bij de Marathon Leiden zullen lopen.
Welke afstand weten we nog niet. Maar daar gaat het niet om.
We zullen herstellen voor 95%.
Maar voor 90% hadden we ook getekend.
We lachen naar elkaar.

Ik moet denken aan Dr. Bud.
Hij regelde zomaar een second opinion met de beste van het land.
Hij heeft onwaarschijnlijk zijn best gedaan op de tweede operatie.
Ik hoorde van de andere arts dat ze dat niet hadden gedaan als ik niet een loper was geweest en iets ouder.
(En ik dacht erachteraan: ook omdat ze net had gevochten tegen kanker.)
Ik moet denken aan mijn oncologe.
De avond voor de marathon kreeg ik een sms van haar.
Ze stond de dag na de laatste bestraling met bloemen op de stoep.
En nu was ze zo blij dat we weer gaan lopen.
Ik moet denken aan het baasje van Ben.
Die vaak in het ziekenhuis langskwam met Ben en een kop echte koffie, voor haar werkdag uit.
Die haar elektrische rolstoel uitleende aan me.
Omdat er een lineair verband is tussen immobiliteit en depressiviteit.

Soms moet je een beetje geluk hebben in het leven.
En wat een enorm geluk heb ik met de professionals die mij oplappen en beter maken.